Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB0200

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-02-2001
Datum publicatie
19-03-2004
Zaaknummer
C99/277HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB0200
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 407, geldigheid: 2001-02-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 155
JWB 2001/67

Uitspraak

23 februari 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/277HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. D.J. Maassen,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. W. Heemskerk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 12 november 1998 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Staat en via hem de Officier van Justitie te Amsterdam, te verbieden strafrechtelijke dwangmiddelen, waaronder aanhouding van eiser en zijn medekrakers, jegens eiser en zijn medekrakers toe te passen. Voor zover deze voortvloeien uit verdenking van eiser en zijn medekrakers van overtreding van art. 138 Sr. dan wel art. 429 sexies Sr. en/of te verbieden anderszins tot de feitelijke ontruiming van de eerste verdieping van het perceel staande en gelegen aan de [a-straat 1 en 2] te [woonplaats] over te gaan of over te doen gaan, voordat omtrent de strafbaarheid van eiser ex art. 138 Sr. dan wel art. 429 sexies Sr. door de Strafrechter een (onherroepelijke) uitspraak zal zijn gedaan.

De Staat heeft de vordering bestreden en geconcludeerd tot weigering van de gevraagde voorziening.

De President heeft bij vonnis van 16 november 1998 de gevraagde voorziening geweigerd.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 22 juli 1999 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser in zijn beroep en tot veroordeling van eiser in de kosten.

3. Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden omdat het niet voldoet aan de eisen die ingevolge art. 407 lid 2 Rv. aan een cassatiemiddel moeten worden gesteld. [Eiser] moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beroep.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en ƒ 3000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 23 februari 2001.

Nr. C 99/277 HR

Mr. Mok

Zitting 1 december 1999

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

DE STAAT (Ministerie van Justitie)

Edelhoogachtbaar college,

Het (tijdig ingestelde) beroep in cassatie is gericht tegen een in kort geding gewezen arrest van het gerechtshof te Amsterdam. In dat arrest heeft het hof geoordeeld dat de president van de rechtbank (eveneens te Amsterdam) op goede gronden heeft overwogen dat art. 429sexies W.v.S. ook van toepassing is op een gebouw dat geen woonfunctie heeft.

Het beroep steunt op een middel dat inhoudt dat het hof zulks ten onrechte heeft overwogen, zonder aan te geven waarom dit ten onrechte zou zijn. Aldus voldoet het middel niet aan de in art. 407, lid 2, Rv besloten eisen, zodat eiser van cassatie niet in zijn beroep kan worden ontvangen(1). Dat de schriftelijke toelichting en de conclusie van repliek in cassatie van eisers advocaat wel gronden vermelden ter staving van de klacht, maakt dit niet anders. In het cassatiemiddel zelf moet te lezen zijn wat de eiser de rechter a quo verwijt(2).

De Staat heeft te kennen gegeven het op prijs te stellen als de Hoge Raad toch (obiter dictum) een uitspraak wil doen over de uitleg van art. 429sexies W.v.S., omdat zulks een einde aan onzekerheid daarover zou maken. Ik voel daarvoor echter niet. Ten eerste zou zodoende het stelsel van art. 407 Rv uitgehold zou worden. Ten tweede ligt het beantwoorden van die interpretatievraag primair op de weg van de strafrechter, zodat het niet voor de hand ligt zulks obiter dictum in een civiele zaak te doen.

Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser in zijn beroep en tot veroordeling van eiser in de kosten.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1. Aldus ook de landsadvocaat (s.t. sub 5, p. 3).

2. Vgl. HR 19 februari 1999, NJ 1999, 428 en HR 22 september 2000, NJ 2000, 632.