Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB0168

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35885
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op belastingen van rechtsverkeer 2, geldigheid: 2001-02-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 333 met annotatie van Vrenegoor
PW 2001, 21314
FED 2001/242
FED 2001/169
BNB 2001/165
WFR 2001/263
V-N 2001/15.30

Uitspraak

Nr. 35885

21 februari 2001

YS

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 23 december 1999, nr. BK-97/20048, betreffende na te melden aan X B.V. te Z opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is ter zake van de verkrijging van de economische eigendom van een onroerende zaak een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd ten bedrage van f 23.991, met een verhoging van 100 percent die door de Inspecteur geheel is kwijtgescholden, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak door de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak alsmede de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Bij onderhandse akte gedateerd 20 en 21 maart 1995 heeft B B.V. voor zich of een nader te noemen meester een perceel bouwland gekocht, waarbij is bepaald dat de levering uiterlijk op 15 december 1995 zal plaatsvinden, terwijl de koper gerechtigd was de juridische levering uit te stellen en op vermelde datum “uitsluitend over te gaan tot economische aankoop”. Bij notariële akte van 15 december 1995 is de economische eigendom van voornoemd perceel geleverd aan belanghebbende.

3.2. Het middel bestrijdt ’s Hofs oordeel dat de verkrijging van de economische eigendom door belanghebbende het gevolg is van een op 31 maart 1995, 18.00 uur, reeds bestaande schriftelijke overeenkomst. Het Hof acht daarbij niet van belang op welk tijdstip belanghebbende als nader te noemen meester bij de transactie is betrokken.

3.3. ‘s Hofs oordeel is juist. Ongeacht het moment waarop belanghebbende als meester is genoemd - in de onderhavige zaak is dat in het midden gebleven, kennelijk heeft de verkopende partij hieromtrent niet eerder duidelijkheid gevraagd -, is zij partij bij de overeenkomst en is de verkrijging door haar van de economische eigendom van het perceel het gevolg van de op 20 en 21 maart 1995 gesloten overeenkomst. Hieruit volgt dat ter zake van deze overdracht geen overdrachtsbelasting verschuldigd is. Niet valt in te zien dat de strekking van de overgangsregeling en de uitlatingen van de Staatssecretaris van Financiën bij de totstandkoming van de regeling nopen tot een andere uitleg. Het middel faalt dan ook.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 35886 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van f 1420, derhalve f 710 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.H. Beukenhorst als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2001.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van het door hem ingestelde beroep in cassatie een recht geheven van f 630.