Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB0166

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35875
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 24, geldigheid: 2001-02-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 341 met annotatie van Kastelein
FED 2001/166
BNB 2001/152
WFR 2001/262, 1
V-N 2001/19.29

Uitspraak

Nr. 35875

21 februari 2001

RP

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 december 1999, nr. 98/3305, betreffende na te melden ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking als bedoeld in artikel 22, lid 1, van de Wet waardering onroerende zaken.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 1 te Z, voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op f 169.000, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de directeur Gemeentebelastingen van de gemeente Amsterdam (hierna: de Directeur) is gehandhaafd.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Directeur in beroep gekomen bij het Hof.

Hangende het beroep heeft de Directeur bij ambtshalve gegeven beschikking de waarde van de onroerende zaak verminderd tot f 154.000.

Het Hof heeft het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en de bij beschikking vastgestelde waarde van de onroerende zaak verminderd tot f 154.000. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: B en W) hebben een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1.1. Het Hof heeft geoordeeld dat het bepaalde in artikel 24, lid 3, aanhef en letter a, en artikel 23, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) geen aanknopingspunt biedt voor de juistheid van de stellingen van belanghebbende dat zij niet degene is te wiens aanzien de beschikking behoorde te worden genomen en dat verweerder de beschikking niet aan haar maar aan de gemeente Amsterdam als eigenaar van de grond en erfverpachter daarvan had moeten zenden. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de wettelijke regeling van de Wet WOZ geen mogelijkheid biedt voor een opsplitsing van de beschikking in een onderdeel, in casu f 38.000, voor de erfpachter en een onderdeel voor de erfverpachter, in casu f 116.000.

3.1.2. Indien op een onroerende zaak een erfpachtrecht rust, wordt onder het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht verstaan de aan het erfpachtrecht ontleende bevoegdheid om de onroerende zaak te gebruiken overeenkomstig de bepalingen van dat recht (vergelijk HR 18 april 1990, nr. 26607, BNB 1990/197). De tegen voormelde oordelen van het Hof gerichte klachten, die uitgaan van de - onjuiste - veronderstelling dat de erfverpachter geheel of gedeeltelijk het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaak heeft, falen derhalve.

3.2. Het oordeel van het Hof dat voor de berekening van de proceskostenvergoeding de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak in dit geval dient te worden vastgesteld op 0,5 geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, geldt niet het bedrag van de door het Hof vastgestelde waardevermindering van f 15.000 als het belang in de zin van de bijlage bij het Besluit proceskosten fiscale procedures. De desbetreffende klacht faalt derhalve.

3.3. De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie

Het Hof heeft de bij beschikking vastgestelde waarde van de onroerende zaak verminderd tot f 154.000.

Nu de Directeur hangende het beroep bij ambtshalve gegeven beschikking de waarde al had verminderd tot f 154.000, had het Hof de beschikking moeten handhaven zoals deze ambtshalve was gewijzigd.

5. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en omtrent de proceskosten,

vernietigt de uitspraak van de Directeur,

handhaaft de beschikking zoals deze ambtshalve is gewijzigd,

gelast dat B en W aan belanghebbende vergoeden het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 160.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.H. Beukenhorst als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2001.