Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB0162

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35539
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 11, geldigheid: 2001-02-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 321 met annotatie van Van Waaijen
BNB 2001/148
FED 2001/160
FED 2001/203
WFR 2001/260, 1
V-N 2001/15.24
PJ 2001/51

Uitspraak

Nr. 35539

21 februari 2001

YS

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 16 juli 1999, nr. 96/03353, betreffende de hem voor het jaar 1994 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 180.638, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is van die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van A B.V. (hierna: de B.V.).

Aan belanghebbende is een pensioenbrief uitgereikt, waarin is bepaald dat de B.V. zich het recht voorbehoudt een eigen bijdrage van belanghebbende te verlangen. Deze pensioenbrief vormt een pensioenregeling in de zin van artikel 11, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 1994; hierna: de Wet).

Blijkens de notulen van de op 17 november 1994 gehouden buitengewone vergadering van aandeelhouders is onder verwijzing naar de pensioenbrief een eigen bijdrage van belanghebbende van f 100.000 vastgesteld. Dit bedrag zou worden verrekend met het in december 1994 uit te betalen salaris.

In dezelfde notulen is belanghebbendes salaris over 1994 vastgesteld op f 125.000. Dit salaris zou met het nog niet uitbetaalde salaris over 1993, eveneens ter grootte van f 125.000, worden uitbetaald in november 1994. Een en ander is aldus geschied.

3.2. Het Hof heeft de vraag of in de gegeven situatie belanghebbendes bijdrage kan worden aangemerkt als een bijdrage als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter i, onderdeel 1º, van de Wet, ontkennend beantwoord. Het heeft hiertoe redengevend geoordeeld dat onder de in onderdeel 4.2 van zijn uitspraak genoemde omstandigheden, waaronder die dat de inhouding circa 80 percent bedroeg van belanghebbendes jaarsalaris, geen redelijk denkend werknemer de bijdrage zou verstrekken en elke werknemer zich ertegen zou verzetten wanneer de bijdrage als een verplichting uit hoofde van de pensioenregeling zou worden aangemerkt. Hieruit heeft het Hof vervolgens afgeleid dat belanghebbende bij het aangaan van die verplichting als aandeelhouder optrad, zodat het verrichten van de eigen bijdrage een informele kapitaalstorting vormt.

3.3. Het eerste middel richt zich tegen ’s Hofs oordeel met de klacht dat het Hof ten onrechte niet in zijn beoordeling heeft betrokken de - door het Hof niet vastgestelde maar uit de gedingstukken blijkende - omstandigheid dat belanghebbende in 1994 niet alleen zijn jaarsalaris over 1994 ten bedrage van f 125.000 heeft genoten, maar ook het even grote salaris over 1993. Deze klacht slaagt. Uit ’s Hofs uitspraak blijkt niet dat het de evenvermelde omstandigheid in de beoordeling heeft betrokken. Aangezien niet op voorhand duidelijk is dat bij een beoordeling van de vraag hoe een redelijk denkend werknemer zou hebben gehandeld, de invloed van deze bijzondere omstandigheid kan worden verwaarloosd, is ’s Hofs voormelde oordeel onvoldoende met redenen omkleed.

3.4. Uit het in 3.3 overwogene volgt dat ’s Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Het tweede middel behoeft geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek van de vraag of en in hoeverre een werknemer in de omstandigheden van dit geval in redelijkheid een verplichting tot betaling van een eigen bijdrage als hier vastgesteld, diende te aanvaarden. Alleen voorzover zulks het geval is, kan de eigen bijdrage worden aangemerkt als een eigen bijdrage in de zin van artikel 11, lid 1, letter i, onderdeel 1º, van de Wet.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 340, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 2840 voor beroepsmatig verleende bijstand.

Dit arrest is op 21 februari 2001 vastgesteld door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, A.G. Pos, L. Monné en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.