Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB0076

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-02-2001
Datum publicatie
26-11-2003
Zaaknummer
00800/99 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB0076
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 136
NJ 2001, 337
M en R 2001, 119
Milieurecht Totaal 2001/5162

Uitspraak

13 februari 2001

Strafkamer

nr. 00800/99 E

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden,

Economische Kamer, van 26 april 1999 in de strafzaak tegen:

A B.V., gevestigd te vestigingsplaats.

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Groningen van 16 februari 1998 - de verdachte ter zake van 1. en 2. telkens opleverende: "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 1.2, eerste lid van de Wet milieubeheer" veroordeeld tot tweemaal een geldboete van telkens éénduizend gulden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

1.2 Het bestreden arrest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Chr. de Wal, advocaat te Assen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend voorzover daarbij is verzuimd art. 51 Sr te vermelden onder de wettelijke voorschriften waarop de opgelegde straf is gegrond, dat wetsartikel alsnog als zodanig zal vermelden, en het beroep voor het overige zal verwerpen. De conclusie en de aanvullende conclusie zijn aan dit arrest gehecht.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het gaat in deze zaak om een verdachte ten aanzien van wie onder 1 en 2 telkens is bewezenverklaard dat zij - kort gezegd - bouw- en sloopafval buiten de provincie Drenthe heeft gebracht, namelijk naar een bedrijfsterrein in vestigingsplaats.

Beide feiten betreffen overtreding van het bij art. 4.3.2.25, eerste lid (oud), van de Provinciale milieu-verordening Drenthe gestelde verbod om bedrijfsafval-stoffen als de onderhavige buiten de provincie te brengen.

3.2. Het middel strekt ten betoge dat genoemde bepaling van de Provinciale milieuverordening Drenthe “in strijd is met de Europese regelgeving, in het bijzonder met de bepalingen van het EG-verdrag en de Verordening 259/93 EEG betreffende toezicht en controle op de overbrenging van voor verwijdering bestemde afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese gemeenschap”.

3.3. De voor de beoordeling van het middel relevante bepalingen zijn weergegeven in de conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal onder 6 tot en met 12.

3.4. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in cassatie niet voor het eerst een beroep kan worden gedaan op feiten en omstandigheden waarvan niet blijkt dat zij in feitelijke aanleg zijn aangevoerd en waaromtrent door het Hof niets is vastgesteld.

3.5. De klacht dat het overtreden verbod in strijd is met de bepalingen van het EG-Verdrag omtrent het vrije verkeer van goederen en omtrent de mededinging faalt. Van strijd met die bepalingen, die strekken tot bescherming van de handel tussen de lidstaten, is reeds daarom geen sprake omdat ingevolge het tweede lid (oud) van art. 4.3.2.25 van de Provinciale Milieuverordening Drenthe het in het eerste lid (oud) gestelde verbod niet geldt voor uitvoer buiten Nederlands grondgebied.

3.6. De klacht dat het overtreden verbod in strijd is met de verordening 259/93 EEG, Pb L30 (EVOA) steunt op de stelling dat de Provinciale milieuverordening Drenthe geen ‘passend stelsel’ als bedoeld in art. 13, tweede lid, EVOA behelst. Voorzover het middel daartoe aanvoert dat dat verbod in strijd is met de bepalingen van het EG-Verdrag omtrent het vrije verkeer van goederen en mededinging stuit het af op hetgeen hiervan onder 3.5 is overwogen. Opmerking verdient dat het door art. 13, tweede lid, EVOA voorgeschreven nationale stelsel betrekking heeft op toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen het nationale rechtsgebied en dat de voor dat stelsel verlangde samenhang moet bestaan met het bij die EVOA ingevoerde stelsel met inachtneming van het nabijheidsbeginsel. Voorzover het middel het vorenstaande niet miskend mocht hebben, geeft het niet aan in welk opzicht de vereiste samenhang ontbreekt, zodat het in zoverre niet voldoet aan de aan een middel van cassatie te stellen eisen.

3.7. Het middel faalt dus in al zijn onderdelen.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Het Hof heeft verzuimd onder de wettelijke bepalingen waarop de strafoplegging is gegrond art. 51 Sr te vermelden. De Hoge Raad zal, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, doen wat het Hof had behoren te doen.

5. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 vermelde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voorzover daarin niet art. 51 Sr is vermeld als bepaling waarop de strafoplegging is gegrond;

Vermeldt art. 51 Sr als bepaling waarop de strafoplegging mede is gegrond;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op

13 februari 2001.