Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9958

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-02-2001
Datum publicatie
19-02-2002
Zaaknummer
01064/99
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9958
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 359a, geldigheid: 2001-02-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 137
NJ 2001, 365

Uitspraak

13 februari 2001

Strafkamer

nr. 01064/99

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage

van 14 juni 1999, parketnummer 22/001547-98, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1950,

wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 24 juni 1998 - de dagvaarding nietig verklaard voorzo-ver het betreft de zinsnede “al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet” in het feit 1 primair tenlastegelegde en voorts de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair tenlas-tegelegde en hem voorts ter zake van 1 subsidiair “een feit bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voorbereiden of bevorderen door een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen” en 2. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot éénentwintig maanden gevangenisstraf, waarvan zeven maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak, is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Het eerste middel klaagt dat het Hof ter terechtzitting in hoger beroep van 31 maart 1999 een verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen ten onrechte, althans op ontoereikende gronden heeft afgewezen. Het tweede middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de verwerping door het Hof in het bestreden arrest van een in hoger beroep gevoerd verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.

De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 mei 1999 is aldaar door de raadsman een verweer gevoerd dat strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging - naar de Hoge Raad begrijpt - ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit (heroïnetransport).

Daartoe is - kort gezegd - het volgende aangevoerd.

De verdenking dat de verdachte bij dat heroïnetransport was betrokken bestond vanaf 27 oktober 1997.

Uit afgeluisterde telefoongesprekken was het de politie bekend dat de verdachte door medeverdachten werd bedreigd met ernstige mishandeling en represailles. Op

7 december 1997 is de verdachte, naar de politie wist, door medeverdachten in gijzeling genomen. Niettemin is de verdachte eerst op 10 december 1997 door de politie uit die gijzeling bevrijd en toen terzake van het onderhavige feit aangehouden. Door die gijzeling is de verdachte in een “stressvolle situatie” geraakt waardoor hij in zijn verdediging in de onderhavige zaak “in een zeer nadelige situatie is gebracht”. Aldus hebben de met opsporing en vervolging belaste ambtenaren bij de beslissing de verdachte niet eerder dan op 10 december 1997 aan te houden het belang van de verdachte bij bescherming van zijn

lichamelijke integriteit ten onrechte achtergesteld bij het belang van de waarheidsvinding, hetgeen schending oplevert van de beginselen van een behoorlijke procesorde.

3.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 22 maart 1999 is door de raadsvrouw met het oog op dat in hoger beroep te voeren verweer - dat ook reeds in eerste aanleg was gevoerd en door de Rechtbank was verworpen - verzocht een aantal getuigen te horen.

Dat proces-verbaal houdt dienaangaande het volgende in:

“De raadsvrouw verzoekt het Hof (...) als getuigen op te roepen. Zij wenst hen te horen omdat zij duidelijkheid kunnen verschaffen over de afwegingen bij het openbaar ministerie en de politie, die ertoe hebben geleid dat de verdachte (...) is gegijzeld en pas op 10 december 1997 uit de gijzeling is bevrijd. De raadsvrouw licht haar verzoek nader toe met de stelling dat zij het reeds in eerste aanleg gevoerde verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging van de verdachte wegens strijd met de goede procesorde - door het horen van de zojuist vermelde personen - nader feitelijk wil onderbouwen. Desgevraagd deelt de raadsvrouw mede, dat zij het aan het hof overlaat of de getuigen door de rechter-commissaris dienen te worden gehoord dan wel ter terechtzitting.

(...)

Desgevraagd deelt de raadsvrouw mede, dat zij het verzoek en de toelichting niet op schrift heeft, maar dat zij ervoor zal zorgdragen dat dit alsnog gebeurt en dat zij deze stukken aan het hof zal doen toekomen”.

Dat proces-verbaal houdt vervolgens als beslissing van het Hof in dat het onderzoek wordt geschorst tot de terechtzitting van 31 maart 1999.

3.4.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 31 maart 1999 houdt in dat de voorzitter aldaar de korte inhoud heeft meegedeeld van een brief van de raadsvrouw van 22 maart 1999 “inhoudende het verzoek de daarin vermelde personen als getuigen op te roepen”.

Die zich bij de stukken van het geding bevindende brief is gericht aan de “Griffier van de sector Strafrecht” en vangt aan met: (...) “ zend ik u hierbij als beloofd het op schrift gestelde verzoek tot het horen van getuigen, als mondeling gedaan ter terechtzitting”.

3.4.2. Het proces-verbaal van genoemde terechtzitting houdt voorts in:

“Thans zal het Hof beslissen op het verzoek van de raadsvrouw tot het horen van getuigen, zoals zij dat ter terechtzitting van 22 maart 1999 en in evenvermelde brief heeft toegelicht.

Het Hof is van oordeel dat aan het hof de noodzakelijkheid tot het horen van (...) als getuigen niet is gebleken: de afwegingen bij het openbaar ministerie en de politie die ertoe hebben geleid dat de verdachte eerst op 10 december 1997 uit zijn gijzeling is bevrijd, kunnen de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten niet raken omdat de feiten die het openbaar ministerie aan de verdachte tenlaste heeft gelegd (mits bewezen) geheel los staan van de feiten waaromtrent de raadsvrouw duidelijkheid wenst te krijgen”.

3.5. Zoals uit het voorafgaande volgt betreft het hier een ter terechtzitting gedaan verzoek tot het alsnog horen van getuigen, dat naderhand schriftelijk is toegelicht.

Door te overwegen dat de noodzaak van het verzochte niet is gebleken heeft het Hof derhalve bij de beslissing op dat verzoek de juiste maatstaf aangelegd. De daarop betrekking hebbende klacht van het eerste middel faalt dus.

3.6. Het eerste middel klaagt voorts over de door het Hof aan die beslissing gegeven motivering.

3.6.1. Bij de beoordeling van die klacht moet worden vooropgesteld dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging wegens - een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde opleverend - onrechtmatig optreden van de met opsporing en vervolging belaste ambtenaren slechts de vervolging kan betreffen terzake van het feit of de feiten tijdens het onderzoek waarvan dat onrechtmatig optreden zich heeft voorgedaan. (vgl. HR 31 mei 1994, NJ 1995,29, rov. 5.7.2)

3.6.2. In de aan de gewraakte beslissing gegeven motivering heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het optreden van politie en justitie met betrekking tot de gijzelingszaak geen deel uitmaakte van het onderzoek naar het in deze zaak aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde feit, zodat eventuele, aan dat optreden klevende gebreken niet kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van dat feit.

Dat oordeel geeft, naar volgt uit hetgeen hiervoor onder 3.6.1 is vooropgesteld, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het, ook in het licht van hetgeen ter adstructie van het verzoek is aangevoerd, niet onbegrijpelijk is. Voorzover het eerste middel dat oordeel bestrijdt, kan het dus evenmin tot cassatie leiden.

3.7. Op blz. 2 van zijn eindarrest heeft het Hof het hiervoor onder 3.2 weergegeven verweer als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging moet worden verklaard omdat - zakelijk weergegeven - politie en openbaar ministerie ten onrechte het recht van de verdachte op bescherming van zijn lichamelijke integriteit en zijn vrijheidsrechten hebben opgeofferd aan het belang van de waarheidsvinding.

Het hof verwerpt dit verweer op dezelfde grond als waarop het ter terechtzitting van 31 maart 1999 het verzoek heeft afgewezen om de getuigen (...) te horen”.

3.8. De in het tweede middel tegen dat oordeel gerichte klachten moeten, naar volgt uit hetgeen hiervoor onder 3.6.2 is overwogen, het lot van de daar besproken klacht delen.

3.9. De middelen zijn dus tevergeefs voorgesteld

4. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beslissing, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren

F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 13 februari 2001.