Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9898

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-02-2001
Datum publicatie
31-08-2001
Zaaknummer
C99/163HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9898
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 101a, geldigheid: 2001-02-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 112
Milieurecht Totaal 2001/4048
JWB 2001/49

Uitspraak

9 februari 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/163HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiseres 1], gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [Eiser 2], wonende te [woonplaats],

3. [Eiser 3], wonende te [woonplaats],

4. [Eiser 4], wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. J. Wuisman,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 8 april 1993 - eisers tot cassatie verder gezamenlijk te noemen: [eiser] c.s. - gedagvaard voor de Rechtbank te Zwolle en gevorderd [eiser] c.s. hoofdelijk des de één betaald hebbende de ander zal zijn bevrijd te veroordelen tot betaling van ƒ 47.039,20 exclusief BTW, alsmede tot vergoeding van de door [verweerder] te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, één en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening.

[Eiser] c.s. hebben de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft na bewijslevering en een deskundigen onderzoek bij eindvonnis van 20 november 1996 [eiser] c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van een bedrag van ƒ 5.792,50 exclusief BTW, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 april 1993 tot aan de dag der betaling. Voorts heeft de Rechtbank [eiser] c.s. veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van 30% van de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 8 april 1993 tot aan de dag der betaling, met bepaling dat [eiser] c.s. voor 80% van deze aldus vast te stellen schade hoofdelijk kunnen worden aangesproken, terwijl de overige 20% uitsluitend door eiser tot cassatie sub 1 - hierna: [eiseres 1] - dient te worden betaald. Hetgeen meer of anders gevorderd is heeft de Rechtbank afgewezen.

Tegen de vonnissen van de Rechtbank van 8 september 1993, 2 maart 1994, 1 februari 1995 en 20 november 1996 hebben zowel [eiser] c.s. als [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. Het beroep van [eiser] c.s. is ingeschreven onder rolnummer 97/161 en van [verweerder] onder rolnummer 97/159.

Bij memorie van grieven hebben [eiser] c.s. gevorderd de door de Rechtbank te Zwolle tussen partijen gewezen vonnissen van 8 september 1993, 2 maart 1994, 1 februari 1995 en 20 november 1996 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [verweerder] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in diens vorderingen, althans deze vorderingen aan hem te ontzeggen.

In hoger beroep heeft [verweerder] zijn vordering vermeerderd en aldus gevorderd:

dat het Hof, opnieuw rechtdoende, [eiser] c.s. hoofdelijk, des dat de één betaald hebbende de anderen zullen zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling van een bedrag ad ƒ 57.059,93 exclusief BTW, alsmede tot vergoeding van de nog door [verweerder] te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, één en ander vermeerderd met de wettelijke rente van 26 april 1993 tot aan de dag van algehele voldoening.

Het Hof heeft bij incidenteel arrest van 28 april 1998 beide appelzaken gevoegd.

Bij arrest van 26 januari 1999 heeft het Hof, rechtdoende in hoger beroep:

in de procedure 97/159:

[verweerder] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de vonnissen van de Rechtbank te Zwolle van 2 maart 1994 en 1 februari 1995;

in de procedure 97/161:

[eiser] c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep tegen de vonnissen van voormelde Rechtbank van 8 september 1993 en 2 maart 1994;

in beide procedures:

de vonnissen van voormelde Rechtbank van 8 september 1993 en 1 februari 1995 bekrachtigd;

het vonnis van voormelde Rechtbank van 20 november 1996 vernietigd en opnieuw rechtdoende:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres 1] veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van het bedrag van ƒ 5.792,50, exclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 april 1993 tot aan de dag van algehele betaling;

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres 1] veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van de helft van de door hem geleden en nog te lijden schade (met inachtneming van hetgeen in rov. 4.7.2 en 4.7.3 is overwogen), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 april 1993 tot aan de dag van algehele betaling, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het arrest van het Hof van 26 januari 1999 is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerder] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal A.S. Hartkamp strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het Gerechtshof te Arnhem en tot verwijzing van de zaak naar dat Hof ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(i) [Verweerder] is eigenaar van een bedrijfsterrein, met daarop onder meer een bedrijfsgebouw, kadastraal bekend als gemeente Dronten, sectie [..], nr. [..] (gedeeltelijk), plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [vestigingsplaats]. Dit perceel (zonder bedrijfsgebouw) had [verweerder] in 1977 gekocht en verkregen van de gemeente Dronten. [Verweerder] heeft hier (al dan niet door middel van de [onderneming B], van welke vennootschap hij enig directeur en enig aandeelhouder was) in de periode van 1 september 1978 tot 1 juli 1979 een onderneming uitgeoefend, bestaande uit de productie en verkoop van verfproducten, verdunningsmiddelen, afbijtmiddelen, reinigingsproducten en alle chemische middelen die daarmee samenhangen alsmede de vermenging en verpakking daarvan.

Voor de uitoefening van deze onderneming is door de gemeente Dronten in augustus of september 1978 aan [onderneming B] een hinderwetvergunning afgegeven.

(ii) [Verweerder] had een aantal ondergrondse, aan Shell Nederland toebehorende, opslagtanks in bruikleen, welke tanks waren geplaatst in of omstreeks september 1978. Deze tanks werden gebruikt voor de opslag van terpentine, wasbenzine, "Shellsol", thinner, spiritus en dieselolie. Ook bovengronds waren opslagtanks, geplaatst in een betonnen bak, waarin een afvoer voor vrijkomende vloeistoffen was aangebracht. In deze tanks werden onder meer ammoniak en carbolineum opgeslagen. Tot de bedrijfsactiviteiten behoorde onder meer het vullen van flessen en vaten met genoemde chemicaliën.

(iii) [Eiser 3] (eiser tot cassatie onder 3) en [eiser 2] (eiser tot cassatie onder 2) waren in die periode als directeuren verkoop in loondienst bij [verweerder].

(iv) Bij schriftelijke overeenkomst van 1 juli 1979 heeft [verweerder] aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres 1] i.o., daarbij vertegenwoordigd door [eiser 3], [eiser 2] en [eiser 4] (eiser tot cassatie onder 4) het fabrieksgebouw met kantoren en grond, gelegen aan de [a-straat 1] te [vestigingsplaats] verhuurd voor de periode van vijf jaren, ingaande 1 juli 1979. Artikel 1 van deze huurovereenkomst luidt:

"De huurder wordt geacht het gehuurde in goede staat van onderhoud te hebben ontvangen en zal het bij het eindigen van de huurtijd wederom in gelijke staat van onderhoud moeten opleveren."

Deze verplichting is op [eiseres 1] komen te rusten.

(v) [Verweerder] heeft aan [eiser 3], [eiser 2] en [eiser 4], handelend onder de naam [eiseres 1] i.o., het door hem tot 1 juli 1979 uitgeoefende bedrijf als hiervoor omschreven, verkocht en geleverd, alsmede de volledige inventaris van het bedrijfspand, zoals nader omschreven in het daarvan opgemaakte koopcontract van 1 augustus 1979.

(vi) [Eiseres 1] is opgericht bij notariële akte van 1 november 1979 met benoeming van [eiser 3], [eiser 2] en [eiser 4] tot directeur. Deze vennootschap heeft de onderneming van [verweerder] voortgezet.

(vii) In de nacht van 31 juli op 1 augustus 1982 is het bedrijfspand afgebrand. Deze brand is door derden aangestoken. [Eiseres 1] heeft daarop de onderneming verplaatst naar een locatie elders in [vestigingsplaats]. De zes ondergrondse tanks (behoudens de opslagtank voor huisbrandolie, die [verweerder] in gebruik had ten behoeve van zijn naast het bedrijfspand gelegen woning) met bijbehorende pompen zijn in september 1982 uitgegraven en afgevoerd door [onderneming C] Van deze tanks zijn er drie opnieuw gebruikt door [eiseres 1] op hun nieuwe locatie.

(viii)Het bedrijfsterrein is na de brand braak blijven liggen. Alleen de in de voormalige fabriekshal aanwezige betonnen vloer was nog aanwezig. Deze vloer heeft [verweerder] in de periode nadien gebruikt, onder meer om goederen op te slaan.

(ix) [Verweerder] heeft op het bedrijfsterrein in 1991 een nieuwe fabriekshal laten bouwen, die werd verhuurd aan meubelfabriek [..] Deze hal is bij een brand op 30 maart 1992 verwoest.

(x) In januari 1986 is op het perceel in opdracht van een potentiële koper een bodemkundig onderzoek verricht door IJsselmeerbeton Fundatietechniek B.V. Deze heeft vastgesteld dat bodem en grondwater zijn verontreinigd en dat nader onderzoek noodzakelijk is.

(xi) Nadien heeft een aantal bodemonderzoeken plaatsgevonden. Eén daarvan is verricht door een door de Rechtbank in het geding in eerste aanleg benoemde deskundige. De inhoud van de ter zake van deze onderzoeken opgemaakte rapporten is door het Hof gedeeltelijk vermeld in zijn rov. 3.11 en 3.12.

(xii) De bodem van het terrein en het grondwater van perceel [a-straat 1] te [vestigingsplaats] zijn verontreinigd. Deze verontreiniging houdt verband met de bedrijfsvoering zoals die op het perceel in het verleden heeft plaatsgevonden.

3.2 [Verweerder] vordert in dit geding vergoeding van schade die het gevolg is van het toerekenbaar tekortschieten door [eiser] c.s. Daartoe heeft [verweerder] aangevoerd dat het door hem aan [eiseres 1] verhuurde perceel, zoals dit na beëindiging van de huurovereenkomst is opgeleverd, ernstig is verontreinigd, voor welke verontreiniging [eiser] c.s. aansprakelijk zijn. Zij zijn, volgens [verweerder], in verzuim gebleven het gehuurde in goede staat op te leveren. Het veroorzaken van de verontreinigingen alsmede het achterwege laten van saneringswerkzaamheden dan wel het achterwege laten van een garantstelling voor de saneringskosten, is volgens [verweerder] tevens onrechtmatig jegens hem, als eigenaar van het desbetreffende perceel.

De Rechtbank heeft na bewijslevering en deskundigenonderzoek, bij haar eindvonnis geoordeeld dat slechts 30% van de schade voor rekening komt van [eiser] c.s. Het Hof heeft echter alsnog geoordeeld dat het aandeel van [verweerder] en van [eiseres 1] in de schade telkens moet worden bepaald op 50%.

3.3 Onderdeel 3.a, dat de Hoge Raad als eerste zal behandelen, is gericht tegen 's Hofs oordelen betreffende de verdeling van de aansprakelijkheid onder 4.7 van het bestreden arrest.

In rov. 4.7.2 oordeelt het Hof dat aan [verweerder] toe te rekenen omstandigheden die aan de schade hebben bijgedragen zijn: het leeglopen van een carbolineumtank in januari 1979 en het niet terstond (doen) opruimen van de restanten vaten en blikken met chemische inhoud na de brand in 1982.

De Rechtbank had in de rov. 7 en 8.1 van haar eindvonnis geoordeeld dat het vermoeden bestond dat [verweerder] in de periode tussen 1982 en 1992 een aantal milieugevaarlijke activiteiten had verricht, activiteiten die door de Rechtbank in haar rov. 7 waren aangeduid. De Rechtbank oordeelde te dien aanzien dat [verweerder] daaromtrent geen duidelijkheid had verschaft. Op grond daarvan was de Rechtbank van oordeel dat [verweerder] slechts ten dele was geslaagd in het hem opgedragen bewijs. De door de Rechtbank vermelde activiteiten waren ten dele andere dan die welke het Hof heeft vermeld in zijn rov. 4.7.2.

[Verweerder] had tegen de rov. 7 en 8.1 van de Rechtbank een drietal grieven gericht. In zijn rov. 4.5.7 en 4.5.8 bespreekt het Hof deze grieven. Het oordeelt daar dat de grieven VIII en IX falen en dat de grond aan grief II is ontvallen. Aldus hield hetgeen de Rechtbank in haar rov. 7 had overwogen stand. Het Hof heeft echter niet ervan blijk gegeven dat het de door de Rechtbank in deze rechtsoverweging genoemde activiteiten van [verweerder], die tot de verontreiniging van het perceel kunnen hebben bijgedragen, in zijn beoordeling van de verdeling van aansprakelijkheid heeft betrokken. Het Hof is derhalve in zoverre in zijn motiveringsplicht tekortgeschoten. Het onderdeel dat hierover klaagt is dan ook gegrond.

3.4 De overige in het middel vervatte klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 26 januari 1999;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op ƒ 1.374,64 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren C.H.M. Jansen, J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 9 februari 2001.