Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9896

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-02-2001
Datum publicatie
16-11-2001
Zaaknummer
C99/134HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9896
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2001/40 met annotatie van mr. drs. C.M. Grundmann-van de Krol
JOL 2001, 110
NJ 2001, 290
RvdW 2001, 50
JWB 2001/47

Uitspraak

9 februari 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/134HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de rechtspersoon naar Duits recht COGENIUS ANLAGEBERATUNG-VERMITTLUNG GmbH, thans genaamd PREMIUM BROKERS ANLAGEBERATUNG-VERMITTLUNG GmbH i.l., gevestigd te Bocholt, Bondsrepubliek Duitsland,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

APOTHEEK SCHOTHORST B.V., gevestigd te Amersfoort,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.M. Hermans.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: Schothorst - heeft bij exploit van 27 augustus 1998 eiseres tot cassatie - verder te noemen: Cogenius - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Utrecht en gevorderd, kort gezegd:

dat Cogenius zal worden veroordeeld tot betaling aan Schothorst van een bedrag van ƒ 814.000,-- met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot die der algehele voldoening;

dat Cogenius zal worden veroordeeld om binnen 24 uur na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis de in de inleidende dagvaarding genoemde bankgarantie af te geven aan Schothorst, zulks op verbeurte van een dwangsom tot een maximum van ƒ 50.000,--;

dat Cogenius zal worden verboden om het vonnis van deze Rechtbank van 3 juni 1998 ten uitvoer te leggen, dit op verbeurte van een dwangsom tot een maximum van ƒ 50.000,--.

Cogenius heeft de vorderingen bestreden.

De President heeft bij vonnis van 24 september 1998 de vorderingen van Schothorst toegewezen.

Tegen dit vonnis heeft Cogenius hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 14 januari 1999 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft Cogenius beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Schothorst heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar een ander Hof.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Schothorst heeft op 9 september 1993 met Cogenius, die haar woonplaats als bedoeld in art. 2 in verbinding met art. 53 EEX heeft op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland, een overeenkomst gesloten met betrekking tot het verrichten door Cogenius van transacties op de goederentermijnmarkt. Ingevolge deze aan Duits recht onderworpen overeenkomst zou Cogenius bemiddelen bij termijntransacties en voor haar bemiddeling van Schothorst een commissie ontvangen van US $ 150,-- dan wel 350,-- per afgesloten transactie.

(ii) Van de bemiddelingsovereenkomst maakt deel uit een arbitrageovereenkomst op grond waarvan elk geschil met betrekking tot de bemiddelingsovereenkomst aan arbitrage (in Duitsland) is onderworpen.

(iii) Schothorst heeft met inbegrip van de door haar voldane commissies in korte tijd een bedrag van ƒ 814.500,-- verloren bij de voor haar door Cogenius uitgevoerde transacties.

(iv) Cogenius beschikte noch beschikt over een vergunning als bedoeld in (thans) art. 7 Wet toezicht effectenverkeer 1995. Werknemers van Cogenius zijn door de Rechtbank strafrechtelijk veroordeeld voor het handelen zonder de zo-even genoemde vergunning en voor deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

(v) Op 24 maart 1994 heeft Cogenius, in verband met een door haar aan Schothorst verstrekte geldlening ten bedrage van ƒ 30.000,--, ten laste van deze laatste conservatoir derdenbeslag doen leggen onder een tweetal banken. Cogenius heeft de beide beslagen op 6 april 1994 opgeheven tegen afgifte van een bankgarantie.

(vi) De Rechtbank heeft Schothorst bij vonnis van 3 juni 1998 veroordeeld tot betaling aan Cogenius van ƒ 30.000,--. Tegen dit vonnis heeft Schothorst geen hoger beroep ingesteld.

3.2 In het onderhavige kort geding heeft Schothorst gevorderd dat Cogenius:

zal worden veroordeeld tot betaling aan Schothorst van ƒ 814.000,-- met wettelijke rente;

zal worden veroordeeld om - op straffe van verbeurte van een dwangsom - de hiervoor in 3.1 onder (v) genoemde bankgarantie aan Schothorst terug te geven;

zal worden verboden om - op straffe van verbeurte van een dwangsom - het hiervoor in 3.1 onder (vi) genoemde vonnis ten uitvoer te leggen.

De President heeft, na onder meer het verweer van Cogenius dat de hiervoor in 3.1 onder (ii) genoemde arbitrageovereenkomst aan zijn bevoegdheid in de weg staat te hebben verworpen, de vorderingen toegewezen.

3.3 In hoger beroep, waar Cogenius in haar grieven VI en VII onder meer, opnieuw met een beroep op de arbitrageovereenkomst, betoogde dat de President zich ten onrechte bevoegd had geacht om van de vorderingen van Schothorst kennis te nemen, heeft het Hof het vonnis van de President bekrachtigd.

Ten aanzien van de bevoegdheidskwestie was het Hof van oordeel dat de President terecht zijn bevoegdheid heeft aangenomen. Hetgeen het Hof daartoe in zijn rov. 4.3 heeft overwogen kan, voorzover in cassatie van belang, als volgt worden samengevat. Naar de stellingen van Schothorst is uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist. Daarmee is ingevolge art. 289 Rv. de bevoegdheid van de president in kort geding gegeven, ook indien in de bodemprocedure door arbitrage (in Duitsland) zal worden beslist. Waarom de President ingevolge de arbitrageovereenkomst onbevoegd zou zijn ten aanzien van de vorderingen tot teruggave van de bankgarantie en schorsing van de executie van het vonnis van 3 juni 1998 valt overigens niet in te zien, aldus het Hof.

3.4 Onderdeel 1 van het middel keert zich tegen dit inzake de bevoegdheid gegeven oordeel. Het onderdeel klaagt, dat het Hof daarmee heeft miskend dat het (in ieder geval ten aanzien van de vordering Cogenius te veroordelen tot betaling van ƒ 814.000,-- met rente) had dienen te onderzoeken of de Nederlandse kortgedingrechter op de voet van art. 24 EEX bevoegd was om van de vordering kennis te nemen. De door Schothorst gevorderde betaling is, aldus het onderdeel, geen voorlopige of bewarende maatregel in de zin van art. 24 - en de bevoegdheid van de Nederlandse kortgedingrechter om van de vordering kennis te nemen zou derhalve ontbreken - tenzij a) gegarandeerd is dat het toegewezen bedrag aan Cogenius wordt terugbetaald indien Schothorst in het bodemgeschil in het ongelijk wordt gesteld, en b) de gevorderde maatregel slechts betrekking heeft op bepaalde vermogensbestanddelen van Cogenius die zich in de territoriale bevoegdheidssfeer van de Nederlandse rechter bevinden of zullen bevinden. Uit het bestreden arrest blijkt hiervan niets, zodat 's Hofs beslissing hetzij uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed.

3.5 Binnen de grenzen van het materiële en formele toepassingsgebied van het EEX is de in dit verdrag vervatte bevoegdheidsregeling dwingend en uitputtend. Cogenius heeft haar woonplaats als bedoeld in art. 2 in verbinding met art. 53 EEX op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, en de vorderingen van Schothorst hebben betrekking op een burgerlijke of handelszaak als bedoeld in art. 1 EEX. Derhalve is het EEX in deze zaak zowel formeel als materieel van toepassing, hetgeen meebrengt dat het Hof ambtshalve, ongeacht of door (een van) partijen een beroep op dit verdrag was gedaan, had moeten onderzoeken of de President krachtens het EEX bevoegd is van de vorderingen van Schothorst kennis te nemen.

Partijen hebben hun geschillen met betrekking tot de bemiddelingsovereenkomst door middel van een arbitraal beding onttrokken aan de overheidsrechter. Gevolg hiervan is dat de bevoegdheid tot het treffen van voorlopige of bewarende maatregelen met betrekking tot die overeenkomst slechts haar grond kan vinden in art. 24 EEX. Anders dan de veroordeling tot teruggave van de bankgarantie en het verbod tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 juni 1998, is de door Schothorst gevorderde veroordeling van Cogenius tot betaling van ƒ 814.000,-- niet een voorlopige maatregel in de zin van art. 24 EEX, tenzij is voldaan aan de hiervoor in 3.4 onder a) en b) genoemde voorwaarden. Het Hof heeft evenwel niet vastgesteld dat gegarandeerd is dat het aan Schothorst toegewezen bedrag door haar wordt terugbetaald indien zij in de arbitrageprocedure alsnog in het ongelijk zou worden gesteld, en ook niet dat die geldvordering van Schothorst betrekking heeft op vermogensbestanddelen van Cogenius die zich binnen Nederland (zullen) bevinden. Voorzover het Hof heeft geoordeeld dat een onderzoek naar de vraag of de President op grond van art. 24 EEX bevoegd was om kennis te nemen van de geldvordering van Schothorst achterwege kon blijven, berust de beslissing van het Hof, naar uit het hiervoor overwogene volgt, op een onjuiste rechtsopvatting. Voorzover het Hof heeft geoordeeld dat aan de voorwaarden voor die bevoegdheid is voldaan, is zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd. Onderdeel 1 treft derhalve op deze punten doel.

3.6 De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 januari 1999;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage;

veroordeelt Schothorst in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Cogenius begroot op ƒ 9.594,64 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 9 februari 2001.