Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9885

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-02-2001
Datum publicatie
26-11-2003
Zaaknummer
00799/99 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9885
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 430, geldigheid: 2001-02-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 120
NJ 2001, 669
M en R 2002, 3

Uitspraak

6 februari 2001

Strafkamer

nr. 00799/99 E

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te

’s-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 20 april 1999 in de strafzaak tegen:

[verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats] (België).

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep bevestigd een vonnis van de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 22 april 1997, waarbij de verdachte is vrijgesproken van het haar bij - gewijzigde - inleidende dagvaarding tenlastegelegde feit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Procureur-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Procureur-Generaal niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn beroep.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1. Nu het beroep is gericht tegen een vrijspraak moet de Hoge Raad, gezien het eerste lid van art. 430 Sv, allereerst beoordelen of de Procureur-Generaal bij het Hof in dat beroep kan worden ontvangen. Daartoe dient te worden onderzocht of de gegeven vrijspraak een andere is dan die bedoeld in deze wetsbepaling. Dit brengt mee dat voor het onderhavige geval eerst de vraag moet worden beantwoord of het Hof, door te overwegen en te beslissen als hierna is weergegeven, de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten en van iets anders heeft vrijgesproken dan was tenlastegelegd.

3.2. Bij inleidende dagvaarding, zoals die na wijziging in eerste aanleg is komen te luiden, is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

“zij op of omstreeks 5 augustus 1996, in de gemeente Kerkrade zich, al dan niet opzettelijk, heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan een krachtens de Wet milieubeheer afgegeven vergunning voor het in werking hebben van een op perceel [..] gevestigde inrichting, als bedoeld in categorie 11 onder a van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, immers

- was de oppervlakte van de opgeslagen vliegas niet zodanig vochtig, danwel niet op andere wijze behandeld dat geen verwaaiing plaatsvond en/of

- was bij de handling van het vliegas het vliegas niet zodanig bevochtigd dat geen verwaaiing plaatsvond en/of

- geschiedde de opslag en handling van de buiten opgeslagen (grond)stoffen niet zodanig, danwel waren niet zodanige voorzieningen getroffen dat verspreiding buiten de inrichting werd voorkomen;

art 18.18 Wet milieubeheer”.

3.3. Het Hof heeft omtrent de gegeven vrijspraak overwogen:

“Het hof acht - evenals de eerste rechter - niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte bij - gewijzigde - inleidende dagvaarding is ten laste gelegd, zijnde het hof van oordeel dat aan de vernietiging van de betreffende vergunning terugwerkende kracht moet worden toegekend, zodat niet bewezen kan worden verklaard, dat verdachte handelde in strijd met voorschriften, verbonden aan een krachtens de Wet Milieubeheer verleende vergunning”.

3.4. In cassatie moet voor wat betreft de gang van zaken met betrekking tot de in de tenlastelegging genoemde vergunning van het volgende worden uitgegaan:

Bij Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg van 8 maart 1994 is aan de verdachte een revisievergunning verleend ter vervanging van een eerdere op basis van de Hinderwet verleende oprichtingsvergunning en van eerdere op basis van de Hinderwet en de Wet inzake de luchtverontreiniging verleende uitbreidings- en wijzigingsvergunningen. Aan die revisievergunning waren onder meer de in de tenlastelegging bedoelde voorschriften verbonden. Tegen de verlening van de revisievergunning is door derden beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ingesteld en is tevens aan haar Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op dat verzoek is bij uitspraak van 14 oktober 1994 beslist. Bij die beslissing zijn aanvullende vergunningsvoorwaarden gesteld. Ingevolge art. 20.3, eerste lid, Wet milieubeheer trad het Besluit waarbij de vergunning was verleend daarop in werking.

Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 augustus 1996 (drie dagen nadat de in de tenlastelegging aan de verdachte verweten gedraging zou hebben plaatsgevonden) is het beroep tegen het Besluit van 8 maart 1994 gegrond verklaard, is dat Besluit vernietigd en is de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in haar aanvrage om een revisievergunning. De Afdeling overwoog daartoe dat de revisievergunning was aangevraagd op een tijdstip waarop de hiervoor genoemde vergunningen krachtens de Hinderwet en de Wet inzake de luchtverontreiniging reeds waren vervallen. Daarom oordeelde de Afdeling dat de verdachte een oprichtingsvergunning had moeten aanvragen.

3.5. Het Hof heeft de in de tenlastelegging voorkomende term “een krachtens de Wet milieubeheer afgegeven vergunning” kennelijk verstaan als: “een krachtens de Wet milieubeheer uit hoofde van een rechtsgeldige beschikking afgegeven vergunning”. De gegeven vrijspraak berust op het klaarblijkelijke oordeel van het Hof dat de hiervoor onder 3.4 genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, houdende vernietiging van de beschikking waarbij de vergunning was verleend, tot gevolg heeft dat die beschikking van de aanvang af niet rechtsgeldig is. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook overigens blijkt niet van enige omstandigheid op grond waarvan de vrijspraak zou zijn aan te merken als een andere dan die waarop in art. 430, eerste lid, Sv wordt gedoeld.

4. Slotsom

Het vorenoverwogene brengt mee dat de Procureur-Generaal niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het beroep.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de Procureur-Generaal niet-ontvankelijk in het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren

F.H. Koster, G.J.M. Corstens, A.M.M. Orie en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 6 februari 2001.