Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9814

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-02-2001
Datum publicatie
27-11-2001
Zaaknummer
00030/00 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9814
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

6 februari 2001

Strafkamer

nr. 00030/00 E

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te

Leeuwarden, Economische Kamer, van 8 juni 1999, parketnummer 24/000041-98, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, Economische Kamer, van 10 juli 1997 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, terwijl het feit opzettelijk is begaan, meermalen gepleegd” veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van zestig uren, in plaats van één maand gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. De conclusie is aan dit arrest gehecht.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel dat twee klachten bevat, kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de in het middel opgenomen klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat het onder 1 tenlastegelegde feit niet kan worden gekwalificeerd, omdat ingevolge art. 2, eerste lid aanhef en onder b, Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen (hierna aan te duiden als het Vuurwerkbesluit) dit besluit niet van toepassing is op vuurwerk als waarvan hier sprake is; dit vuurwerk is immers niet bestemd voor de particuliere gebruiker.

4.2. Onder 1 is tenlastegelegd en bewezenverklaard dat:

“hij in of omstreeks de maanden oktober en/of november 1995 (...) tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, vuurwerk, te weten een of meer celebration crackers (ook wel bekend als chinese rollen of ratelbanden), heeft afgeleverd aan: (...), terwijl dat vuurwerk niet voldeed aan de bij of krachtens het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde eisen, immers bevatte de lading van die celebration crackers in strijd met het gestelde in artikel 7 lid 2 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk, aluminiumpoeder”.

4.3. Het Hof heeft dit feit gekwalificeerd als: “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, terwijl het feit opzettelijk is begaan, meermalen gepleegd”.

4.4. Het Hof heeft het in het middel aangeduide verweer als volgt weergegeven en verworpen:

“1. De raadsman heeft aangevoerd - kort samengevat - dat het sub 1 telastegelegde, indien bewezen, niet kan worden gekwalificeerd, omdat het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen c.a. ingevolge artikel 2, eerste lid aanhef en onder b van dat Besluit niet van toepassing is op vuurwerk, dat niet bestemd is voor de particuliere gebruiker, en er in casu sprake is van dergelijk vuurwerk. Er zou derhalve ontslag van alle rechtsvervolging moeten plaatsvinden. Eén en ander is in de aan het hof overgelegde pleitnota onder punt 3 nader toegelicht.

2. Met betrekking tot voormeld verweer overweegt het hof als volgt:

Het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b van het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen brengt mee, dat dit besluit c.a. van toepassing is op vuurwerk, bestemd voor de particuliere gebruiker. Dit vuurwerk mag slechts voorhanden gehouden en afgeleverd worden indien het voldoet aan de bij of krachtens genoemd besluit gestelde eisen (artikel 3). Vuurwerk, dat niet aan die eisen voldoet, mag niet afgeleverd worden aan de particuliere gebruiker. Noch op grond van de wettelijke regeling, noch op grond van de ratio ervan is er reden om in die gevallen waarin zogenaamd “groot vuurwerk” voorhanden is met als bestemming de particuliere gebruiker of waarin dat wordt afgeleverd aan een particuliere gebruiker het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen c.a. niet van toepassing te achten. Met name kan dit niet worden afgeleid uit de omstandigheid, dat het (vervoer en) gebruik van “groot vuurwerk”, - bij evenementen etc. - , gebonden is aan een stelsel van vergunningen. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman”.

4.5. Art. 2, eerste lid aanhef en onder b, Vuurwerkbesluit luidde ten tijde van de bewezenverklaarde gedraging:

“Dit besluit is niet van toepassing op:

(...)

b. vuurwerk dat niet bestemd is voor de particuliere gebruiker”.

4.6. In de Nota van Toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt over de onderlinge verhouding van de in en krachtens dit Vuurwerkbesluit vervatte regels met betrekking tot vuurwerk dat wel en vuurwerk dat niet is bestemd voor de particuliere gebruiker onder meer het volgende opgemerkt:

“Aan de veiligheid van legaal op de markt gebracht vuurwerk blijkt een aantal tekorten te kleven. Het illegaal op de markt gebracht vuurwerk is in nog grotere mate onveilig.

(...)

Met dit besluit wordt beoogd het aantal ongevallen met vuurwerk waarbij particuliere gebruikers zijn betrokken, en de ernst van de letsels die door dergelijke ongevallen ontstaan, terug te dringen en mede met het oog hierop op meer doeltreffende en doelmatige wijze tegen de illegale vuurwerkhandel op te kunnen optreden.

Naast de hierboven omschreven doelstelling zijn er nog andere redenen om een nieuwe regeling vast te stellen.

In de eerste plaats wordt gewezen op het bepaalde in artikel 68 van de Wet milieugevaarlijke stoffen (Stb. 1985, 639). Op grond van de Wet Gevaarlijke Stoffen (Stb. 1963, 313) is een aantal uitvoeringsmaatregelen vastgesteld die voor onder meer het leveren en het gebruik van vuurwerk van belang zijn, met name het Reglement Gevaarlijke Stoffen (Stb. 1968, 207), de Beschikking inzake het binnen het Nederlandse grondgebied brengen van vuurwerk (Stcrt. 1981, 82), het Besluit aflevering ontploffingsgevaarlijke stoffen (Stcrt. 1979, 228), en de lijst van vuurwerken (Stcrt. 1984, 159). Deels voorziet het onderhavige besluit hierin. Voor zover voornoemde uitvoeringsmaatregelen bepalingen kennen inzake de in- en uitvoer, het verhandelen (afleveren), het gebruik en het voorhanden hebben van vuurwerk bestemd voor de particuliere gebruiker, treedt voornoemd besluit in de plaats van die maatregelen. Met het oog op de inwerkingtreding van artikel 68 van de Wet milieugevaarlijke stoffen zou een aantal van deze uitvoeringsmaatregelen geheel of gedeeltelijk op grond van deze wet dienen te worden vastgesteld. Deels voorziet het onderhavige besluit hierin. Voor zover voornoemde uitvoeringsmaatregelen bepalingen kennen inzake de in- en uitvoer, het verhandelen (afleveren), het gebruik en het voorhanden hebben van vuurwerk bestemd voor de particuliere gebruiker, treedt voorliggend besluit in de plaats van die maatregelen.

Voornoemde uitvoeringsmaatregelen op basis van de Wet Gevaarlijke Stoffen blijven dus van toepassing op ander vuurwerk dan dat bestemd voor de particuliere gebruiker, alsmede ten aanzien van andere handelingen dan zojuist genoemde betreffende vuurwerk bestemd voor de particuliere gebruiker.

(...)

In een tweede in ontwerp zijnde regeling op grond van de Wet milieugevaarlijke stoffen wordt voorzien in een regeling voor diverse handelingen met ontplofbare stoffen in het algemeen. Daarin wordt, gelet op de professionele toepassing hiervan, tevens het vuurwerk geregeld dat niet bestemd is voor particuliere gebruikers en door deskundigen bijvoorbeeld wordt toegepast bij evenementen. Hiermee wordt voor het overige voorzien in de bedoelde uitvoering van artikel 68 van de Wet milieugevaarlijke stoffen.

Daarnaast is het voor de overzichtelijkheid en de inzichtelijkheid van de wetgeving wenselijk, met name de regels voor het leveren, ter aflevering voorhanden hebben, op openbare plaatsen in bezit hebben en gebruiken van vuurwerk, bestemd voor particulieren, in één regeling samen te voegen, (...)”. (Stb. 1990, 215, p. 9-10)

en:

“Voorts is uitgezonderd van de werking van dit besluit het vuurwerk dat bestemd is voor toepassing door anderen dan particulieren, dat wil zeggen beroepsmatig en met een daartoe strekkende vergunning van de Minister van Verkeer en Waterstaat”. (Stb. 1993, 215, p. 14)

4.7. Art. 1, eerste lid aanhef en onder d, Reglement Gevaarlijke Stoffen luidde ten tijde van de bewezenverklaarde gedraging:

“Voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit bepaalde wordt verstaan onder:

(...)

d. ontploffingsgevaarlijke stoffen: ontplofbare stoffen en voorwerpen, met ontplofbare stoffen geladen voorwerpen, alsmede ontvlammingsmiddelen, vuurwerk en dergelijke artikelen, met uitzondering van vuurwerk waarop het Vuurwerkbesluit Wet Milieugevaarlijke Stoffen (Stb. 1993, 215) van toepassing is voor zover het het afleveren, ter aflevering aanwezig houden, bezigen, zich ontdoen, danwel binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen van dergelijk vuurwerk betreft”.

4.8. Art. 1, eerste lid aanhef en onder d, Reglement Gevaarlijke Stoffen is ingevolge het Besluit van 5 juni 1996, Stb. 297, in werking getreden op 1 augustus 1996, ingetrokken.

4.9. Uit het samenstel van de onder 4.5 en 4.7 weergegeven regelingen blijkt dat de wetgever heeft beoogd dat de toepasselijkheid van het Vuurwerkbesluit de toepassing van het Reglement Gevaarlijke Stoffen zou uitsluiten en - voor wat betreft een aantal gedragingen - andersom, al naar gelang het vuurwerk bestemd was voor de particuliere gebruiker. Dat roept de vraag op wat moet worden verstaan onder vuurwerk dat bestemd is voor de particuliere gebruiker. Indien bij de beantwoording van die vraag er uitsluitend op zou worden gelet of het vuurwerk voldoet aan de eisen die bij of krachtens het Vuurwerkbesluit daaraan worden gesteld, zou het verbod van art. 3 van dat Besluit zijn doel missen; immers zodra het desbetreffende vuurwerk niet aan deze eisen voldoet, zou het Vuurwerkbesluit niet van toepassing zijn. De straffeloosheid van het enkele voorhanden hebben door een particulier van vuurwerk dat niet aan die eisen voldoet zou aldus het gevolg zijn van een uitleg van art. 2, eerste lid van het Vuurwerkbesluit, waarin de concrete bestemming - al dan niet een particulier - geheel zonder betekenis zou zijn. Immers, anders dan de regeling in het Reglement Gevaarlijke Stoffen voor hen die bedrijfsmatig met vuurwerk omgaan, bestaat voor door particulier verrichte gedragingen met betrekking tot vuurwerk dat niet beantwoord aan de bij of krachtens het Vuurwerkbesluit gestelde eisen geen afzonderlijke regeling.

4.10. De wetgever heeft de bescherming van de particuliere gebruiker voorop gesteld bij de vaststelling van het Vuurwerkbesluit. Een uitleg van art. 2, eerste lid onder b, van dat Besluit als door het middel voorgestaan zou, gelet op het hiervoor onder 4.9 overwogene, ernstige problemen opleveren bij de strafrechtelijke handhaving van de tot particulieren gerichte voorschriften van dat Besluit en aldus een door de wetgever niet beoogd veiligheidsrisico teweegbrengen. Hoewel de tekst van het Vuurwerkbesluit en voorheen het Reglement Gevaarlijke Stoffen een andere bedoeling van de wetgever tot uitdrukking brengen, te weten de wederzijdse uitsluiting van toepasselijkheid van die regelingen, moet de Hoge Raad daaraan voorbij gaan.

4.11. Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat, anders dan het middel stelt, het enkele feit dat vuurwerk niet voldoet aan de eisen die het Vuurwerkbesluit daaraan stelt niet meebrengt dat dat vuurwerk voor de toepassing van dat Besluit niet meer geacht kan worden te zijn bestemd voor de particuliere gebruiker. In aanmerking genomen dat de gebezigde bewijsmiddelen inhouden dat de verdachte het vuurwerk heeft bestemd tot aflevering aan particulieren geeft het aangevallen oordeel van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

4.12. Het middel faalt dus.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren

G.J.M. Corstens, A.M.M. Orie, A.M.J. van Buchem-Spapens en J.P. Balkema, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 6 februari 2001.