Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9812

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-02-2001
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
02082/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9812
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Leerplichtwet 1969 2, geldigheid: 2001-02-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 119
NJ 2001, 217

Uitspraak

6 februari 2001

Strafkamer

nr. 02082/00

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te

‘s-Gravenhage van 11 januari 2000, parketnummer 09/151204-97, in de strafzaak

tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951, wonende te

[woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft in hoger beroep (naar de Hoge Raad begrijpt: met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Kantonrechter te ‘s-Gravenhage van 27 juni 1997) de verdachte ter zake van “overtreding van het bepaalde bij artikel 2 lid 1 van de Leerplichtwet 1969” veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar de Rechtbank teneinde met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het gaat in deze zaak om een verdachte ten aanzien van wie - kort gezegd - is bewezenverklaard dat hij in de periode van 5 tot en met 26 december 1996 ten aanzien van [de dochter], over wie hij het gezag uitoefende, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat zij de school waar zij was ingeschreven geregeld bezocht.

3.2. De Leerplichtwet 1969 bepaalt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende.

Ingevolge art. 2, eerste lid, is degene die het gezag over een jongere uitoefent verplicht overeenkomstig de bepalingen van die wet te zorgen dat de jongere als leerling van een school is ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt.

Ingevolge art. 11, eerste lid aanhef en onder g, is degene die het gezag over een jongere uitoefent van die verplichting vrijgesteld indien de jongere door “andere gewichtige omstandigheden” verhinderd is de school te bezoeken.

Een zodanig beroep op vrijstelling kan ingevolge art. 14, eerste lid, slechts worden gedaan indien het hoofd der school op verzoek van degene die het gezag uitoefent verlof heeft verleend dat de jongere de school tijdelijk niet bezoekt. Het laatste lid van dat artikel bepaalt dat indien zodanig verlof wordt gevraagd voor meer dan tien dagen de ambtenaar van de woongemeente van de jongere omtrent het verlof beslist.

3.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank heeft de verdachte aldaar onder meer het volgende aangevoerd:

"Ik heb 11 jaar in Zuid Afrika gewoond. Ik liep in 1996 al een jaar zonder werk. En er was een kans dat ik in Zuid Afrika weer werk zou kunnen krijgen. Wij zijn toen met het gezin naar Zuid Afrika gegaan om te kijken hoe het hen daar eventueel zou bevallen als ik daar ging werken. Ik ben eerlijk geweest en heb de school de reden vermeld waarom zij niet naar school kon komen. Ik kon [de dochter] nergens anders onderbrengen. Mijn vrouw had heimwee en daarom is de baan in Zuid Afrika niet doorgegaan. We waren in 1984 ook al teruggekomen omdat mijn vrouw niet kon wennen aan het leven in Zuid Afrika. Ik dacht het is nu zoveel verder misschien lukt het haar wel. Daarom nam ik mijn gezin mee voor mijn sollicitatie. Ik heb geen bezwaarschrift tegen mijn afwijzing van de leerplichtambtenaar gedaan omdat alles geregeld was. We hadden al tickets voor vertrek op 5 december 1996. Het bedrijf waar ik solliciteerde maakte uit wanneer ik moest komen. Ik kon niet in de Kerstvakantie want in Zuid Afrika is het in december zomer en iedereen heeft vakantie tot en met de kerst. Ik heb de baan in Zuid Afrika niet genomen omdat mijn vrouw terug wilde naar Nederland. Nu heb ik werk in Nederland gevonden.

Ik vond het een dringende noodzaak omdat ik al een jaar zonder werk zat".

3.4. Voorzover het aldus aangevoerde een beroep inhoudt op de in art. 11, aanhef en onder g, Leerplichtwet 1969 voorziene vrijstelling in geval van “andere gewichtige omstandigheden”, houdt het een ontkenning in van de in de tenlastelegging vermelde verplichting.

Dat verweer vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen. Daarin heeft de Rechtbank immers niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de verdachte overeen-komstig het bepaalde in art. 14 van die wet verlof heeft gevraagd en dat dat verlof door de desbetreffende leerplichtambtenaar is geweigerd. Voorzover het middel het vonnis in dat opzicht beoogt te bestrijden, faalt het dus.

3.5. Hetgeen door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd houdt onder meer in: “Ik kon [de dochter] nergens anders onderbrengen. (...) Het bedrijf waar ik solliciteerde maakte uit wanneer ik moest komen. Ik kon niet in de Kerstvakantie want in Zuid-Afrika is het in december zomer en iedereen heeft vakantie tot en met de kerst. (...) Ik vond het een dringende noodzaak omdat ik al een jaar zonder werk zat”. Dit kan bezwaarlijk anders worden begrepen dan als mede behelzende een beroep op overmacht (noodtoestand). Op dat beroep had de Rechtbank bepaaldelijk een beslissing moeten geven. Voorzover het middel beoogt te klagen dat zodanige beslissing in de bestreden uitspraak ontbreekt, is het terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor onder 3.5 is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt het bestreden vonnis;

Wijst de zaak terug naar de Rechtbank te 's-Gravenhage opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren

F.H. Koster, G.J.M. Corstens, A.M.J. van Buchem-Spapens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 6 februari 2001.