Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9800

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-06-2001
Datum publicatie
14-10-2003
Zaaknummer
03256/00 H en 03257/00 H
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9800
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

26 juni 2001

Strafkamer

nrs. 03256/00 H

03257/00 H

SB/ES

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op aanvragen tot herziening van in kracht van gewijsde gegane arresten van het Gerechtshof te Arnhem van

3 oktober 1995, ingediend door mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, namens:

[aanvrager 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats],

en

[aanvrager 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 426
NJ 2001, 564 met annotatie van T.M. Schalken
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 juni 2001

Strafkamer

nrs. 03256/00 H

03257/00 H

SB/ES

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op aanvragen tot herziening van in kracht van gewijsde gegane arresten van het Gerechtshof te Arnhem van

3 oktober 1995, ingediend door mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, namens:

[aanvrager 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats],

en

[aanvrager 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].

1. Het verloop van het geding

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar zijn tussenarrest van 20 maart 2001. Bij dat tussenarrest heeft de Hoge Raad een nader onderzoek gelast en dit opgedragen aan een daartoe uit zijn midden benoemde Raadsheer-Commissaris. Het tussenarrest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Aan dit eindarrest is tevens de conclusie van de Advocaat-Generaal gehecht.

2. Het door de Raadsheer-Commissaris verrichte onderzoek

De Raadsheer-Commissaris heeft op 19 april 2001 als getuige-deskundige gehoord prof. dr. T.K.A.B. Eskes, emeritus hoogleraar, wonende te [woonplaats]. Deze heeft verklaard overeenkomstig de inhoud van het van dat verhoor opgemaakte proces-verbaal, dat aan dit arrest is gehecht en daarvan deel uitmaakt.

3. Het verloop van de strafzaken

In verband met de aanvragen is voor wat betreft het verloop van de strafzaken het volgende van belang.

(i) De aanvragers hebben in het vooronderzoek aanvankelijk ontkend de feiten waarvoor zij uiteindelijk zijn veroordeeld te hebben gepleegd. Naderhand hebben zij in het vooronderzoek wisselende - waaronder bekennende - verklaringen afgelegd. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep hebben zij ontkend die feiten te hebben gepleegd.

(ii) Op de plaats van de delicten is door de politie sporenonderzoek verricht. Daarbij zijn verschillende monsters veiliggesteld, die door het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie zijn onderzocht.

(iii) Het sectierapport van het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie van het Ministerie van Justitie van 3 februari 1994 maakt melding van "enig grijswit gekleurd, deels ingedroogd materiaal in de schaamstreek van het slachtoffer waarin spermatozoën aanwezig waren". Dat rapport vermeldt dat onder meer uitstrijkjes zijn gemaakt van de vagina ("op diverse niveau's") en de anus. Die uitstrijkjes zijn eveneens door het Gerechtelijk Laboratorium onderzocht.

(iv) Omtrent de resultaten van het onderzoek zijn door het Gerechtelijk Laboratorium drie rapporten uitgebracht, onderscheidenlijk van 20 mei 1994, 25 mei 1994 en 19 juli 1994.

Die rapporten vermelden dat uitstrijkjes zijn ontvangen van materiaal aangetroffen aan de buitenzijde van de vagina, op het rechterbovenbeen, van materiaal van de ingang van de vagina, van materiaal uit de vagina, van de baarmoedermond en van de anus. Als conclusies houden die rapporten in dat in het materiaal op die uitstrijkjes de aanwezigheid van sperma kon worden vastgesteld en dat op grond van de resultaten van het DNA-onderzoek die spermasporen van geen van de aanvragers afkomstig kunnen zijn. Voorts behelzen die rapporten als conclusie dat de onderzochte spermasporen afkomstig kunnen zijn van één en dezelfde persoon.

(v) Het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium van 25 mei 1994 behelst onder meer een onderzoek naar twee hoofdhaardelen op de trui van het slachtoffer (207) en de folie ad 219 (microsporen vanaf de hals van het slachtoffer) en een gekamd schaamhaar (226). Het rapport behelst als conclusie dat die hoofdhaardelen niet pasten in de hoofdhaarpaletten van het slachtoffer en van de aanvragers en dat het schaamhaar evenmin paste in de schaamhaarpaletten van het slachtoffer en de aanvrager [aanvrager 1].

Voorts houdt het rapport van 19 juli 1994 als conclusie in dat het onderzoek van het materiaal van de haarwortel van het gekamde schaamhaar van het slachtoffer geen eenduidig resultaat heeft opgeleverd.

(vi) Het verrichte sporenonderzoek leverde ook overigens geen resultaten op die tot de aanvragers waren te herleiden, behoudens de - door het Hof tot het bewijs gebezigde - conclusie in het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium van 25 mei 1994 dat het mogelijk is dat een housebroek van de aanvrager [aanvrager 1], een mat en/of een vloerkleed uit de woning waarin het slachtoffer is aangetroffen met elkaar in contact zijn geweest.

(vii) Nadat de zaken op 31 mei 1995 en op 26, 27, 28 en 29 juni 1995 door het Hof waren behandeld, heeft het bij tussenarrest van 13 juli 1995 nader onderzoek gelast, onder meer naar de op het slachtoffer aangetroffen haren. Dat tussenarrest houdt dienaangaande het volgende in:

"Het hof acht het wenselijk dat het hof door het Gerechtelijk Laboratorium nader wordt ingelicht over de aangetroffen haren van de trui ad 207, de folie ad 219 en het gekamde schaamhaarmonster ad 226. Met name acht het hof van belang het antwoord op de vraag of door middel van nader onderzoek kan worden vastgesteld of twee of meer van deze haren van dezelfde persoon afkomstig kunnen zijn. Ingeval van bevestigende beantwoording van deze vraag acht het hof zulk een nader onderzoek gewenst. Het hof wenst tevens uitsluitsel te krijgen over de vraag of de haar die geduid wordt als het gekamde schaamhaarmonster ad 226 voorwerp is geweest van het DNA-onderzoek, en zo ja tot welke conclusies dat onderzoek heeft geleid. Indien zodanig onderzoek niet heeft plaatsgevonden, acht het hof het gewenst dat - indien mogelijk - dit alsnog wordt verricht".

(viii) Voorts heeft het Hof bij genoemd tussenarrest nader onderzoek gelast naar het aangetroffen sperma. Dat tussenarrest houdt dienaangaande in:

"Het hof acht het wenselijk dat door de verbalisanten van de technische recherche die het stoffelijk overschot van het slachtoffer hebben aangetroffen, nader proces-verbaal wordt opgemaakt en ingezonden aan de procureur-generaal bij dit hof, waarin zo mogelijk een meer nauwkeurige omschrijving wordt gegeven van de op het rechter bovenbeen van het slachtoffer aangetroffen witte geleiachtige substantie, in het bijzonder van de hoeveelheid en de mate van vloeibaar of ingedroogd zijn van de aangetroffen substantie.

Tevens acht het hof het wenselijk dat - indien mogelijk - door het Gerechtelijk Laboratorium eventueel na kennisneming van het nader proces-verbaal, opgemaakt door de technische recherche, alsnog onderzoek wordt verricht naar de samenstelling van deze substantie, in het bijzonder naar de (relatieve) hoeveelheid spermatozoën hierin (...)".

(ix) Bij brief van 9 augustus 1995 aan de Procureur-Generaal bij het Hof heeft het Gerechtelijk Laboratorium meegedeeld dat uit het resultaat van het DNA-onderzoek van het schaamhaar (226) geen eenduidige conclusie kon worden verkregen, maar dat zeer wel mogelijk is dat dat schaamhaar afkomstig is van het slachtoffer.

Die brief houdt ten aanzien van het aangetroffen sperma het volgende in:

"De bij de gerechtelijke sectie waargenomen witte gelei-achtige substantie werd op een wattenstaafje veiliggesteld door de patholoog dr. R.Visser. (...) Bij het veiliggestelde spermaspoor op het rechter bovenbeen werden per gezichtsveld circa vijf spermatozoa waargenomen (...)".

Bij afzonderlijke brief van 9 augustus 1995 is door het Gerechtelijk Laboratorium aan de Procureur-Generaal bij het Hof meegedeeld dat de hoofdharen (207) niet pasten in de hoofdhaarpaletten van het slachtoffer en van de aanvragers en voorts dat het zeer wel mogelijk is dat deze hoofdhaardelen van verscheidene personen afkomstig zijn.

(x) Het onderzoek in hoger beroep is hervat op 7 september 1995. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt onder meer in als verklaring van de getuige-deskundige Janssen, wetenschappelijk medewerker, verbonden aan het Gerechtelijk Laboratorium:

"Op dit moment is in Nederland alleen DNA-onderzoek mogelijk op haarwortels, niet op de overige delen van een haar".

Het Hof heeft bij op die terechtzitting genomen tussenbeslissing het wenselijk geoordeeld "dat wordt onderzocht of een DNA-onderzoek op de haar, aangetroffen op de trui ad 207, mogelijk is en dat, als die mogelijkheid zal blijken te bestaan, een dergelijk onderzoek plaatsvindt".

(xi) Het naar aanleiding van die vraagstelling van het Hof door het Gerechtelijk Laboratorium aan de Procureur-Generaal uitgebrachte rapport van 18 september 1995 houdt omtrent de mogelijkheid van het door het Hof beoogde DNA-onderzoek niets in.

4. Nadere beoordeling van de aanvragen

4.1. Het eerste onderdeel van de aanvragen berust op het bekend worden van "Nieuwe DNA-gegevens".

Daartoe wordt verwezen naar een bij de aanvragen als productie 3 overgelegde rapportage van dr. P. de Knijff, verbonden aan het Forensisch Laboratorium voor DNA-Onderzoek (FLDO) van de Universiteit te Leiden van 15 september 2000.

Dit rapport behelst het resultaat van een nader DNA-onderzoek van de hoofdhaar(delen) 207 en 219, ten vervolge op een rapport van dr. De Knijff van 13 april 2000 met betrekking tot die haren en het op het slachtoffer aangetroffen sperma. Laatstgenoemd rapport behelsde als conclusie dat niet kon worden uitgesloten dat de haren en het sperma afkomstig zijn van dezelfde persoon.

In het thans overgelegde rapport wordt geconcludeerd dat de hoofdhaardelen 207 en 219 niet van de aanvragers afkomstig kunnen zijn.

4.2. De omstandigheid dat de hoofdhaardelen 207 en 219 niet passen in de hoofdhaarpaletten van de aanvragers was het Hof bekend (vgl. hiervoor onder 3 sub (v)). De enkele omstandigheid dat het thans overgelegde rapport dienaangaande meer zekerheid biedt, kan, op zichzelf beschouwd, niet gelden als een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. Dat op genoemd punt meer zekerheid is verkregen is evenwel in het licht van hetgeen hierna wordt overwogen niet geheel zonder betekenis, gelet op de ook door het Hof gelegde samenhang tussen het onderzoek van de aangetroffen haren en dat van het aangetroffen sperma (vgl. hierna onder 4.6). De Hoge Raad zal daarom die omstandigheid in aanmerking nemen bij zijn beoordeling van het tweede onderdeel van de aanvragen.

4.3. In het tweede onderdeel van de aanvragen wordt onder het hoofd "Non-bewijs sleeptheorie" een beroep gedaan op de inhoud van een bij de aanvrage als productie 5 overgelegd rapport van prof. dr. T.K.A.B. Eskes van 14 september 2000.

4.4. Bij aan mr. Knoops gerichte brief van 17 februari 2001 heeft prof. Eskes dat rapport bij wijze van reactie op de conclusie van de Advocaat-Generaal nader toegelicht. Die brief is gehecht aan het commentaar van de raadsman op die conclusie.

4.5. Voor de beoordeling van dit onderdeel van de aanvragen is het volgende van belang.

4.5.1. In deze zaak heeft zich de bijzonderheid voorgedaan dat op en in het lichaam van het slachtoffer sperma is aangetroffen waarvan uit DNA-onderzoek is gebleken dat het niet van de aanvragers afkomstig kon zijn.

Dat sperma is aangetroffen bij de ingang van de vagina, in de vagina, bij de baarmoedermond, bij de anus en op het rechterbovenbeen van het slachtoffer.

4.5.2. Blijkens een daarvan opgemaakt proces-verbaal heeft de politie prof. Eskes op 26 mei 1994 geconsulteerd omtrent de vraag "welke theorieën denkbaar zijn wanneer een slachtoffer door 2 mannen wordt verkracht en deze volgens hun zeggen niet zijn klaargekomen en er toch buiten de vagina sperma wordt aangetroffen".

De inhoud van het daarvan opgemaakte proces-verbaal is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 32.

Vervolgens is prof. Eskes door de Rechter-Commissaris als getuige-deskundige beëdigd en zijn hem door deze schriftelijke vragen voorgelegd, die door prof. Eskes bij brief van 14 juli 1994 zijn beantwoord.

Die vragen en antwoorden zijn, voorzover hier van belang, weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 40.

Prof. Eskes is gehoord ter terechtzittingen in hoger beroep van 27 juni en 7 september 1995.

4.6. Bij de beoordeling van dit onderdeel van de aanvragen stelt de Hoge Raad voorop dat aan de resultaten van een DNA-onderzoek grote overtuigingskracht pleegt te worden toegekend, die niet alleen ten laste, maar ook ter ontlasting van een verdachte kan strekken (vgl. HR 7 mei 1996, NJ 1996, 573, rov. 7.4).

Het Hof, met de hiervoor onder 4.5.1 genoemde bijzonderheid geconfronteerd, heeft, zoals blijkt uit het verhandelde ter terechtzittingen in hoger beroep, het onderzoek onder meer toegespitst op de vraag of voor die ogenschijnlijke ongerijmdheid een verklaring kon worden gegeven. De bij tussenarrest van 13 juli 1995 en bij tussenbeslissing van 7 september 1995 gelaste onderzoeken strekten er, gelet op de vraagstellingen van het Hof, onmiskenbaar toe te doen vaststellen of de op de hals en de trui van het slachtoffer aangetroffen haren - in samenhang met het aangetroffen sperma - tot een ander dan de aanvragers ("dezelfde persoon") konden worden herleid.

De verrichte onderzoeken hebben op dat punt geen duidelijkheid verschaft.

4.7. In zijn eindarresten heeft het Hof geen oordeel gegeven omtrent de mogelijke herkomst van het sperma. Het was daartoe ook niet gehouden.

In die arresten ligt wel als zijn oordeel besloten dat de omstandigheid dat het aangetroffen sperma niet van de aanvragers afkomstig kon zijn niet afdoet aan de overtuigende kracht van het gebezigde bewijsmateriaal en niet onverenigbaar is met de bewezenverklaring.

Aan de in hoger beroep door prof. Eskes afgelegde verklaringen kan als mogelijke feitelijke toedracht worden ontleend dat het op het rechterbovenbeen van het slachtoffer aangetroffen sperma afkomstig was van een eerder, niet met de onderhavige verkrachting verband houdend, seksueel contact van het slachtoffer met een derde, en dat dat sperma daarna door de aanvragers bij hun seksueel contact met het slachtoffer uit haar vagina op haar rechterbovenbeen is terechtgekomen ("versleept"). Het kan daarom niet anders zijn dan dat het Hof bij zijn beraadslaging omtrent de overtuigende kracht van het de aanvragers belastende bewijsmateriaal - in navolging van het door het Openbaar Ministerie in eerste aanleg en in hoger beroep ingenomen standpunt - die toedracht voor wat betreft de herkomst van dat sperma en van de overige spermasporen niet dermate onwaarschijnlijk heeft geoordeeld dat de hiervoor onder 4.5.1 genoemde bijzonderheid aan een bewezenverklaring in de weg stond, terwijl voorts aannemelijk is dat het Hof dat oordeel heeft gebaseerd op de in hoger beroep door prof. Eskes afgelegde verklaringen.

4.8. Het thans aan de aanvragen ten grondslag gelegde oordeel van prof. Eskes komt erop neer dat het op en in het lichaam van het slachtoffer aangetroffen sperma afkomstig moet zijn van het seksueel contact dat heeft plaatsgevonden ten tijde van de onderhavige verkrachting en dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat het buiten de vagina aangetroffen sperma afkomstig is van een eerdere coïtus en bij die verkrachting is "versleept".

4.9. Prof. Eskes heeft bij zijn verhoor door de Raadsheer-Commissaris op 19 april 2001 in de kern het volgende verklaard.

Hij, Eskes, heeft bij het geven van zijn oordeel in hoger beroep niet de beschikking gehad over het sectierapport en de rapporten van het Gerechtelijk Laboratorium. Hij heeft niet geweten, althans is bij zijn oordeelsvorming zich er niet van bewust geweest, dat ook elders dan op het rechterbovenbeen, dus ook rond en in de vagina van het slachtoffer, sperma was aangetroffen. Het beeld van die gezamenlijkheid van sporen brengt hem thans tot de conclusie dat het aangetroffen spermaspoor op het rechterbovenbeen afkomstig moet zijn van degene die ten tijde van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde delicten een zaadlozing in de vagina van het slachtoffer heeft gehad.

Dat laatste leidt hij voorts af uit de omstandigheid dat versleping door een coïtus van zaadvloeistof die afkomstig is van een eerdere coïtus wel mogelijk is, maar alleen binnen ongeveer een half uur na de eerste coïtus, omdat de zaadvloeistof in de schede na dat tijdsbestek is gereduceerd tot plusminus 1 ml.

4.10.1. Voor wat betreft de stelling van prof. Eskes dat hij destijds niet heeft geweten dat ook elders dan op het rechterbovenbeen van het slachtoffer sperma is aangetroffen moet het volgende worden geoordeeld.

In aanmerking genomen dat de dossiers van de strafzaken geen aanknopingspunten bevatten voor het tegendeel, acht de Hoge Raad aannemelijk dat prof. Eskes destijds bij het afleggen van zijn verklaringen niet de beschikking heeft gehad over het sectierapport en de rapporten van het Gerechtelijk Laboratorium.

Weliswaar bieden die dossiers een enkele aanwijzing daarvoor dat prof. Eskes ervan op de hoogte had kunnen zijn dat behalve op het rechterbovenbeen ook elders sperma was aangetroffen, maar uit die dossiers blijkt anderzijds dat in de onderscheiden fasen van het onderzoek het aantreffen van een druppel sperma op het rechterbovenbeen van het slachtoffer sterk is benadrukt. Het proces-verbaal van politie van 26 mei 1994, dat een relaas behelst van de eerste consultatie door de politie van prof. Eskes, houdt als vraagstelling in: "(...) welke theorieën denkbaar zijn wanneer een slachtoffer door 2 mannen wordt verkracht en deze volgens hun zeggen niet zijn klaargekomen en er toch buiten de vagina sperma van een derde wordt aangetroffen".

De eerste door de Rechter-Commissaris aan prof. Eskes gestelde vraag is in gelijkluidende bewoordingen gesteld.

De door prof. Eskes in hoger beroep op 27 juni 1995 afgelegde verklaring wijst erop dat de vraagstelling zich heeft toegespitst op de aangetroffen druppel sperma op het rechterbovenbeen, terwijl diens op 7 september 1995 in hoger beroep afgelegde verklaring daarop geheel is toegesneden.

Gelet op hetgeen door prof. Eskes ten overstaan van de Raadsheer-Commissaris is verklaard, acht de Hoge Raad het aannemelijk dat Eskes' huidige oordeel, hierop neerkomende dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat het buiten de vagina aangetroffen sperma ten tijde van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde delicten is "versleept", is ingegeven door feiten en omstandigheden die hij niet heeft betrokken bij het vormen van zijn ten overstaan van het Hof gegeven oordeel.

4.10.2. Het aan de aanvragen ten grondslag gelegde oordeel van prof. Eskes berust bovendien daarop dat ­ naar hij in de onderhavige herzieningsprocedure gemotiveerd heeft uiteengezet ­ versleping door een coïtus van zaadvloeistof die van een eerdere coïtus afkomstig is slechts mogelijk is binnen een tijdsbestek van een half uur na die eerdere coïtus.

Waar aan de door prof. Eskes in hoger beroep afgelegde verklaringen de gevolgtrekking kon worden ontleend dat een zodanige "versleping" ook na genoemd tijdsbestek van een half uur kan plaatsvinden, moet thans worden geoordeeld dat die gevolgtrekking onjuist is.

4.11. Als grondslag voor een herziening kan, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder 2°, van art. 457 Sv slechts dienen een door opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheid die de rechter niet is gebleken en die op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt in dier voege dat het ernstig vermoeden ontstaat dat, ware zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de veroordeelde.

De hier bedoelde grondslag voor een herzieningsaanvrage ­ hierna als "novum" aan te duiden - kan slechts een omstandigheid van feitelijke aard betreffen. Een mening, overtuiging of gevolgtrekking kan in het algemeen niet als een zodanige feitelijke omstandigheid worden aangemerkt. Dat brengt mee dat het oordeel van een deskundige in beginsel slechts als een novum kan gelden voorzover daarbij wordt uitgegaan van feiten en/of omstandigheden van feitelijke aard welke niet bekend waren dan wel niet geacht kunnen worden bekend te zijn geweest aan de rechter die de uitspraak, waarvan herziening wordt gevraagd, heeft gewezen. In beginsel, omdat bijzondere omstandigheden, als in het onderhavige geval, kunnen meebrengen dat daarover anders moet worden geoordeeld.

4.12. Het onderhavige geval wordt hierdoor gekenmerkt dat het, naar hiervoor onder 4.6 tot en met 4.8 is overwogen, niet anders kan zijn dan dat het Hof bij de beoordeling van de overtuigende kracht van de gebezigde bewijsmiddelen in aanmerking heeft genomen dat het aangetroffen sperma waarschijnlijk afkomstig was van een eerder, niet met de onderhavige verkrachting verband houdend seksueel contact van het slachtoffer met een derde, terwijl het de mogelijkheid van een zodanige feitelijke toedracht heeft ontleend aan het in hoger beroep door prof. Eskes gegeven oordeel.

Het door die deskundige in de strafzaken gegeven oordeel staat dus in rechtstreeks verband met de bewezenverklaringen.

Onder die omstandigheden kan het thans aan de aanvragen ten grondslag gelegde oordeel van prof. Eskes, hierop neerkomende dat genoemde mogelijkheid hoogst onwaarschijnlijk is, als een novum worden aangemerkt.

Daarbij kan in het midden blijven of prof. Eskes zelf enig verwijt treft van de omstandigheid dat hij zich van bepaalde gegevens ­ die de rechter destijds wel bekend waren - niet bewust is geweest, omdat zulks voor het oordeel dat sprake is van een novum niet van belang is.

Datzelfde geldt ten aanzien van de omstandigheid dat in het ongewisse is gebleven waarom prof. Eskes ten overstaan van het Hof zijn oordeel omtrent het tijdsbestek waarin de door hem bedoelde "versleping" mogelijk is, niet heeft gespecificeerd als hiervoor onder 4.10.2 is weergegeven.

4.13. De aanvragers zijn veroordeeld ter zake van het medeplegen van doodslag en het medeplegen van verkrachting. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden in dat het bewezenverklaarde medeplegen van doodslag is gepleegd in onmiddellijke aansluiting op en samenhangend met het bewezenverklaarde medeplegen van verkrachting.

Hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.12 is overwogen leidt tot het oordeel dat aan het aan het tweede onderdeel van de aanvragen ten grondslag gelegde oordeel van de deskundige prof. Eskes, zoals door hem nader toegelicht, een ernstig vermoeden valt te ontlenen dat het Hof, ware het daarmee bekend geweest, de aanvragers van de hun tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten, gelet ook op de samenhang tussen die feiten, zou hebben vrijgesproken.

5. Slotsom

Uit het vorenoverwogene volgt dat de aanvragen gegrond zijn, dat de gronden waarop deze steunen voor het overige geen bespreking behoeven, en dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Verklaart de aanvragen tot herziening gegrond;

Beveelt, voorzover nodig, de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormelde arresten van het Gerechtshof te Arnhem van 3 oktober 1995;

Verwijst de zaken naar het Gerechtshof te Leeuwarden opdat de zaken op de voet van art. 467 Sv opnieuw zullen worden behandeld en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren J.L.M. Urlings, F.H. Koster, A.M.M. Orie en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 26 juni 2001.

20 maart 2001

Strafkamer

nrs. 03256/00 H

03257/00 H

Hoge Raad der Nederlanden

TUSSENARREST

op aanvragen tot herziening van in kracht van gewijsde gegane arresten van het

Gerechtshof te Arnhem van 3 oktober 1995, ingediend door mr. G.G.J. Knoops,

advocaat te Amsterdam, namens:

[aanvrager 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te

[woonplaats],

en

[aanvrager 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te

[woonplaats].

1. De uitspraken waarvan herziening is gevraagd

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van vonnissen van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen van 6 januari 1995 - ieder van de aanvragers ter zake van 1. “medeplegen van doodslag” en 2. “medeplegen van verkrachting” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van tien jaren, met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr.

1.2. De Hoge Raad heeft bij arresten van 16 september 1996 de tegen ’s Hofs arresten ingestelde cassatieberoepen verworpen.

1.3. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 14 oktober 1997 een aanvrage tot herziening van de aanvrager [aanvrager 2] niet-ontvankelijk verklaard. Bij arresten van 27 juni 2000 heeft de Hoge Raad aanvragen tot herziening van beide aanvragers afgewezen.

1.4. De Hoge Raad voegt de behandeling van de onderhavige aanvragen tot herziening.

2. De procesgang in herziening

2.1. De aanvragen tot herziening zijn op 29 september 2000 bij de Hoge Raad ingediend. Op 6 oktober 2000 heeft mr. Knoops in beide herzieningszaken een “aanvulling op verzoek tot herziening” ingediend. Bij brieven van

24 oktober 2000, 19 december 2000 en 9 januari 2001 heeft mr. Knoops aanvullende producties overgelegd.

2.2. De aanvragen zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Hoge Raad van 16 januari 2001. Aldaar heeft mr. Knoops de aanvragen mondeling toegelicht onder overlegging van een viertal aanvullende producties.

2.3. De Advocaat-Generaal Wortel heeft in beide herzieningszaken geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage zal afwijzen.

2.4. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar met bijlagen van mr. Knoops op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. De bewezenverklaring

3.1. Ten laste van ieder van de aanvragers is bewezenverklaard dat:

“1. hij op 09 januari 1994 in de gemeente Putten tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een mededader (telkens) opzettelijk gewelddadig de keel van [dat slachtoffer] dichtgedrukt en dichtgedrukt gehouden en met een mes, althans een scherp voorwerp, meermalen in de hals van [dat slachtoffer] gestoken en/of gesneden, mede tengevolge van welke handelingen voornoemd [slachtoffer] is overleden;

2. hij op 09 januari 1994 in de gemeente Putten tezamen en in vereniging met een ander door geweld [het slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [dat slachtoffer], hebbende verdachte tezamen en in vereniging met een mededader hun penis(sen) in de vagina van [dat slachtoffer] gebracht, en bestaande dat geweld hierin dat verdachte tezamen en in verenging met een mededader telkens opzettelijk gewelddadig

- [dat slachtoffer] heeft vastgegrepen en/of vastgepakt en of vastgehouden en

- tegen het hoofd en/of lichaam van [dat slachtoffer] heeft geslagen en

- [dat slachtoffer] tegen de grond heeft getrokken en

- de boven- en onderbroek van [dat slachtoffer] heeft uitgetrokken”.

3.2. Deze bewezenverklaring steunt - samengevat - op tegenover de politie afgelegde verklaringen van twee getuigen en eveneens tegenover de politie afgelegde (bekennende) verklaringen van de aanvragers alsmede op de resultaten van een vergelijkend vezelonderzoek.

4. De grondslag van de aanvragen

De aanvragers beroepen zich op een negental omstandigheden als bedoeld in art. 457, eerste lid sub 2°, Sv. De in dat artikelonderdeel genoemde grond voor herziening betreft, voorzover hier van belang, een omstandigheid die bij het onderzoek op de terechtzitting de rechter niet was gebleken en die op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt in dier voege dat ernstig vermoeden ontstaat dat ware zij bekend geweest het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de veroordeelde.

5. Beoordeling van de aanvragen

Het tweede onderdeel van de aanvragen is gebaseerd op een daarbij overgelegd rapport van de - destijds door het Hof gehoorde - deskundige Prof. Dr. T.K.A.B. Eskes.

In verband met hetgeen in dat onderdeel van de aanvragen wordt gesteld acht de Hoge Raad, alvorens verder te beslissen, nader onderzoek noodzakelijk ter beantwoording van de vraag op grond waarvan die deskundige tot zijn in dat rapport neergelegde oordeel is gekomen.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Beveelt een onderzoek als hiervoor onder 5 omschreven en draagt dit op aan de daartoe uit zijn midden benoemde raadsheer-commissaris mr. F.H. Koster, die dit onderzoek op de daartoe in de wet voorgeschreven wijze zal verrichten op nader door hem te bepalen plaats en tijd en met oproeping van de deskundige Prof. Dr. T.K.A.B. Eskes, en zonodig van andere door hem aangewezen personen;

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren J.L.M. Urlings, F.H. Koster, A.M.M. Orie en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 maart 2001.

Mr. Urlings is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

RAADSHEER-COMMISSARIS

VERHOOR VAN GETUIGE-DESKUNDIGE

Proces-verbaal van getuigenverhoor in het kader van het onderzoek als bedoeld in art. 465 Sv naar aanleiding van de aanvragen tot herziening, ingediend namens

[aanvrager 1], geboren te [geboorteplaats] op

[geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats], en

[aanvrager 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].

Aanwezig:

Raadsheer-Commissaris: mr. F.H. Koster

Griffiers: dhr. S.P. Bakker en mr. E.H. Schulten

mr. G.J.J. Knoops, advocaat van de aanvragers tot herziening

Datum verhoor: 19 april 2001

Aanvang verhoor: 14.00 uur

Sluiting: 18.30 uur

De getuige-deskundige verklaart omtrent naam, voornaam, leeftijd, beroep en woonplaats zoals hieronder is vermeld en verklaart voorts geen bloed- of aanverwant van de aanvragers te zijn. Vervolgens is de getuige-deskundige door de Raadsheer-Commissaris beëdigd dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen en voorts dat hij zijn taak naar geweten zal vervullen.

De getuige-deskundige Eskes, Tom Kees Anton Bonifacius,

67 jaar, emeritus hoogleraar, wonende te [woonplaats], verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:

Op 26 mei 1994 heb ik bezoek gehad van de verbalisanten Van den Bosch en Dooyeweerd. Het was een informatief gesprek; ik had geen voorinformatie. Ik kan mij de inhoud van dat gesprek niet meer heel goed herinneren. Ik weet wel dat ze me kleurenfoto´s hebben laten zien en dat ik tamelijk geëmotioneerd was. Ik weet niet goed meer of ze gezegd hebben dat het bekennende verdachten waren. Het gesprek heeft niet langer dan een uur geduurd. Ik zou daarna vragen van de RC ontvangen. Ik heb het proces-verbaal van dat gesprek tot op heden nooit gezien. Ik hoor de inhoud nu voor het eerst van u. In dat proces-verbaal is sprake van "spil". Daarmee wordt medisch gezien bedoeld het morsen van zaad uit de penis na penetratie. Ook vrijkomen van zaad na masturbatie heet "spil". "Spil" is dus niet het slepen van vloeistof uit de vagina.

Zaadvloeistof bestaat uit vloeistof uit de prostaat en zaadblaasjes. Dat geheel stolt als het uit de penis komt. Dat stolsel heet coagulum. Uitgestort in de schede vervloeit het met vaginavocht. Dat bedoelt Dr. Lee in zijn rapport met liquidification. Na die vervloeiing maken zich zaadcellen vrij die naar de baarmoeder gaan. Er blijven ook zaadcellen achter; het langst in de achterste schedegroeve. De zaadvloeistof in de schede vermindert na ongeveer een half uur tot plus minus 1 ml. Dat betekent dat die vloeistof na ongeveer een half uur niet of nauwelijks meer in de schede aanwezig is. In dat halve uur kan het door een volgende coïtus naar buiten worden gesleept. In die zin is er versleping van zaadvloeistof mogelijk, maar dus alleen binnen een tijdsbestek van een half uur na de eerste coïtus. Dat geldt ook ten aanzien van de mogelijkheid van uitpersing ten gevolge van geweld of angst.

De zaadcellen zelf blijven langer in de schede. De dode zaadcellen kunnen dagenlang in de schede blijven. De zaadcellen sec kunnen door een latere coïtus wel naar buiten worden gesleept, maar dan alleen in het vaginale vocht.

U houdt mij nu voor de brief van de Rechter-Commissaris van 7 juli 1994. Ik zie dat daarin staat dat ook in de vagina sperma is aangetroffen. Ik ben daar bij de beantwoording van mijn vragen niet vanuit gegaan. Het is mij waarschijnlijk eenvoudigweg ontgaan. De beantwoording van vraag 1 wijst daar naar mijn mening ook op. Ik kom nu op het kardinale punt. Ik heb tijdens het proces niet geweten dat er ook sperma was aangetroffen aan de buitenzijde van de vagina, in de vagina en bij de anus. Voorzover dat wel in het proces ter sprake is gekomen, is dat niet tot mij doorgedrongen. Ik heb het sectierapport toen niet gezien en ook het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium van 20 mei 1994 heb ik toen niet gezien. Het aantreffen van sperma op andere plaatsen is doorslaggevend geweest voor mijn huidige standpunt. Als ik geweten had, althans mij had gerealiseerd, dat ook op andere plekken dan het bovenbeen sperma was aangetroffen, dan zou ik dezelfde conclusie hebben getrokken, als ik nu trek, namelijk dat de druppel op het bovenbeen afkomstig is van degene die kort voor of ten tijde van het misdrijf een zaadlozing in de vagina van het slachtoffer heeft gehad. Bovendien past een enkele druppel niet bij versleping; dat zou dan een spoor moeten zijn. U vraagt mij waarom dat laatste en de omstandigheid dat de versleping van zaadvloeistof eigenlijk maar binnen ongeveer een half uur kan plaatsvinden, omdat na die periode die vloeistof is gereduceerd tot 1 ml, niet bij het Hof aan de orde zijn geweest in mijn verklaringen. Zoals ik u heb gezegd had ik niet alle informatie over deze zaak. Bij het Hof heb ik naar mijn idee vooral vragen beantwoord van algemeen technische aard, die niet zozeer waren toegespitst op het concrete geval, althans zo heb ik dat ervaren.

Ik ben op de zitting van 27 juni 1995, naar mij bestaat, alleen aanwezig geweest tijdens mijn verhoor. Van de zitting van 7 september 1995 staat mij weinig meer bij. Dat het rapport van Dr. Lee daar ter sprake is geweest herinner ik mij geheel niet. Ik heb dat rapport eerst later van mr. Knoops gekregen. Dat ik dat rapport belangrijk vind, komt doordat Dr. Lee bevestigt dat de liquidification gebruikelijk 10-20 minuten in beslag neemt.

Op een vraag van mr. Knoops antwoord ik dat ik mij bij het Hof wel enigszins voelde gemanoeuvreerd in een positie die ik niet wilde, namelijk in de positie van partij-getuige. Met de vrouwelijke Advocaat-Generaal die vragen stelde tijdens de zitting kon ik niet goed overweg. Noch vóór de zitting, noch daarna heb ik contact gehad met het Openbaar Ministerie. Mijn optreden bij het Hof heb ik als zeer onaangenaam ervaren. Ik herinner mij op een gegeven moment nog dat de Advocaat-Generaal twijfelde aan mijn deskundigheid op een bepaald punt. Daar kan ik slecht tegen en ik dacht alleen maar hoe snel kom ik hier weg. Ik maak mij achteraf wel verwijten dat ik misschien niet steeds even alert ben geweest. Ik heb het gewicht van mijn inbreng in het proces onderschat.

Mr. Knoops vraagt mij nog of ik tijdens het gesprek met de politie op 26 mei 1994 wist of er al dan niet sprake is geweest van een vrijwillig seksueel contact voorafgaand aan het misdrijf. Dat is niet aan de orde geweest en dat heeft mijn oordeel dus toen ook niet beïnvloed. Gelet op wat ik nu weet, zou een dergelijk vrijwillig contact alleen kunnen hebben plaatsvinden binnen een half uur voor het misdrijf, als je er tenminste van uitgaat dat het aangetroffen sperma niet van een dader is. Medisch-technisch gezien is mogelijk dat de coïtus na de dood heeft plaatsgevonden en dat het zaad daarvan afkomstig is.

Aldus voorgelezen en volhard.

T.K.A.B. Eskes

De Raadsheer-Commissaris,

De griffiers,

Ingevolge een bij brief van 25 april 2001 door de getuige-deskundige Eskes aangebrachte correctie is het woord "vrouwelijke" in regel 25 van pagina 3 doorgehaald.

De Raadsheer-Commissaris,

De griffier Schulten,

Zijnde prof. Eskes en de griffier Bakker buiten staat deze doorhaling mede te ondertekenen.