Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9770

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-02-2001
Datum publicatie
31-08-2001
Zaaknummer
R99/110HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9770
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 80
NJ 2001, 233
JWB 2001/44

Uitspraak

2 februari 2001

Eerste Kamer

Nr. R99/110HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende op Curaçao, Nederlandse Antillen,

EISER tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerder,

advocaat: mr. A.G. Castermans,

t e g e n

de rechtspersoon naar Duits recht

1. [Verweerster 1], gevestigd in [vestigingsplaats], Bondsrepubliek Duitsland,

advocaat: mr. M.A. Leijten,

VERWEERSTER in cassatie, voorwaardelijk incidenteel eiseres,

2.[Verweerster 2], gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 14 juli 1993 gedateerd verzoekschrift heeft eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - zich gewend tot het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, en gevorderd, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verweersters in cassatie - verder afzonderlijk te noemen: [verweerster 1] en [verweerster 2] -, des dat de een betalende ander bevrijd zal zijn, primair te veroordelen tot levering en plaatsing van de door [eiser] bestelde eerste kwaliteitstegels merk [..] type Keraion Casablanca, met veroordeling in alle leveringskosten, alsmede alle kosten gemoeid met afbraak en nieuwlegging van bedoelde tegelvloer het geheel onder verbeurte van een dwangsom, en voorts bij niet nakoming van de leveringsplicht tot betaling van de geleden, althans nog te lijden schade van herstel, te bepalen op NAfl. 108.780,66, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 13 januari 1993.

[Verweerster 1] heeft de vordering gemotiveerd bestreden. [Verweerster 2] is niet verschenen.

Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft bij tussenvonnis van 8 januari 1996 in de procedure tegen [verweerster 2] de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van [eiser] als in rechtsoverweging 2 bedoeld en voorts in de procedure tegen [verweerster 1] de zaak naar de rol verwezen om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de benoeming van één of meer deskundige(n). Nadat partijen zich bij akte hadden uitgelaten heeft het Gerecht in Eerste Aanleg bij tussenvonnis van 23 september 1996 drie deskundigen benoemd en de deskundigen verzocht de in dat vonnis geformuleerde vragen te beantwoorden. Na deskundigenbericht heeft het Gerecht in Eerste Aanleg bij vonnis van 15 juni 1998 de vordering afgewezen.

Tegen bovengenoemde vonnissen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Hij heeft gevorderd de vonnissen van het Gerecht in Eerste Aanleg te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiser] toe te wijzen.

[Verweerster 1] en [verweerster 2] zijn in hoger beroep niet verschenen.

Bij vonnis van 2 maart 1999 heeft het Hof de bestreden vonnissen bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld.

[Verweerster 1] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

[Verweerster 2] heeft geen verweerschrift ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerster 1] mede door mr. F. Damsteegt, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerster 1] is producent van keramische tegels. Zij heeft op 27 april 1990 aan [onderneming A] te [vestigingsplaats] [..] 425 Keraion tegels van 592 x 592 mm en 750 Keraion tegels van 592 x 292 mm geleverd.

(ii) De desbetreffende tegels zijn door [onderneming A] - al dan niet via tussenschakels - doorgeleverd aan [onderneming B] te [vestigingsplaats] [..]. [onderneming B] heeft de tegels doorgeleverd aan [eiser].

(iii) De tegels zijn vervolgens verwerkt in de vloeren van het huis van [eiser] op Curaçao.

(iv) Bij brief van 3 april 1992 heeft [betrokkene C] namens [eiser] over de kwaliteit van de tegels gereclameerd bij [onderneming B].

3.2 [Eiser] heeft gevorderd [verweerster 1] en [verweerster 2] te veroordelen (a) tot levering en plaatsing van de door hem bestelde eerste kwaliteitstegels van het merk [..], type Keraion Casablanca, met veroordeling in alle kosten, en bij gebreke van nakoming (b) tot betaling van NAfl. 108.780,66. Het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen heeft de vordering afgewezen. Voorzover de vordering gericht was tegen [verweerster 1] heeft het Gerecht na deskundigenbericht geoordeeld dat onvoldoende is komen vast te staan dat de tegels niet kunnen worden aangemerkt als tegels van eerste kwaliteit. Voorzover de vordering was gericht tegen [verweerster 2], heeft het Gerecht geoordeeld dat het ervoor moet worden gehouden dat [verweerster 2] als juridische entiteit niet bestaat.

3.3 Het Hof heeft in hoger beroep de vonnissen bekrachtigd. Het heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.

"5.1 De grieven beogen het geschil in volle omvang aan het Hof voor te leggen. Zouden de grieven slagen dan komen in eerste aanleg gevoerde verweren die niet behandeld zijn of zijn verworpen, opnieuw aan de orde, nu zij niet zijn prijsgegeven.

5.2 Uitgangspunt is dat tussen [eiser] en [verweerster 1] geen contractuele band bestaat; evenmin is gebleken dat aan [eiser] op enigerlei wijze het recht toekomt om zich op de contractuele norm te beroepen. [Eiser] beklaagt zich over de kwaliteit van de door hem van een ander dan [verweerster 1] gekochte tegels. (…) Ervan uitgaande dat deze hoedanigheid der tegels, indien bewezen, in de verhouding tussen [verweerster 1] en degene aan wie [verweerster 1] contractueel geleverd heeft wanprestatie oplevert, dan impliceert dat, mede gelet op de aard en ernst van de verweten tekortkoming en aard en ernst van de gestelde onzorgvuldigheid, niet zonder meer dat [verweerster 1] jegens [eiser] een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Voor onrechtmatigheid - in casu: onzorgvuldigheid in het maatschappelijk verkeer - jegens een derde zijn bijzondere omstandigheden nodig (…). Deze zijn in het onderhavige geval niet komen vast te staan. [Eisers] vordering strandt hierop reeds."

3.4 Onderdeel 1 van het uit drie onderdelen bestaande principale cassatiemiddel strekt in de eerste plaats ten betoge dat het Hof in strijd met zijn taak als appelrechter heeft gehandeld door te onderzoeken of het Gerecht op juiste gronden heeft geoordeeld dat het in het verkeer brengen van ondeugdelijke tegels door [verweerster 1] jegens [eiser] onrechtmatig was. Het Hof had zijn onderzoek moeten beperken tot de door het Gerecht gehanteerde nadere eis - waartegen de grieven 1 en 2 waren gericht -, dat "de ondeugdelijkheid kan worden toegerekend aan enige fout of nalatigheid van [verweerster 1]".

3.5 Door het ingestelde hoger beroep werd aan het oordeel van het Hof onderworpen de vraag of de vordering terecht was afgewezen. Het Hof moest bij de beantwoording van deze vraag acht slaan op alle verweren die door geïntimeerde in eerste instantie waren aangevoerd en in hoger beroep niet waren prijsgegeven. Tot die verweren behoorde de stelling dat het handelen van [verweerster 1] in dezen niet onrechtmatig was, omdat er geen sprake was van schending van een zorgvuldigheidsnorm door [verweerster 1]. Door veronderstellenderwijs ervan uit te gaan dat de grieven 1 en 2 zouden slagen en vervolgens een in dat verband aangevoerd, door het Gerecht niet besproken doch door [verweerster 1] in hoger beroep niet prijsgegeven verweer te beoordelen, is het Hof niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Het betoog van [eiser] faalt derhalve.

3.6 Onderdeel 1 bevat voorts de klacht dat het Hof zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd, indien het heeft gemeend dat de grieven zich ook uitstrekten tot het oordeel van het Gerecht dat het in het verkeer brengen van ondeugdelijke tegels onrechtmatig was jegens [eiser]. Het Hof heeft zulks echter niet gemeend doch heeft de kwestie van de onrechtmatigheid op grond van de devolutieve werking opnieuw behandeld. De klacht kan derhalve wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.7 Onderdeel 2 strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verweermiddelen die [verweerster 1] ter beschikking staan in de contractuele relatie met haar afnemer, tegenover een derde zoals [eiser] doorwerken op de grond dat [verweerster 1] tegenover hem anders zwakker zou staan dan tegenover haar contractuele wederpartij. Onderdeel 3 klaagt dat het Hof niet heeft beslist over grief 5, waarin [eiser] opkwam tegen de afwijzing door het Gerecht van de tegen het [verweerster 2] ingestelde vordering.

Nu het Hof heeft geoordeeld dat het in het verkeer brengen van de litigieuze tegels in de omstandigheden van het geval niet onrechtmatig was tegenover derden-afnemers zoals [eiser] en dat de vordering van [eiser] derhalve niet toewijsbaar is, heeft [eiser] geen belang bij de onderdelen 2 en 3 en kunnen deze onderdelen niet tot cassatie leiden.

3.8 Nu het middel in het principale beroep faalt, behoeft het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] c.s. begroot op ƒ 2.710,-- aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 2 februari 2001.