Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9667

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-01-2001
Datum publicatie
26-09-2001
Zaaknummer
R00/107HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9667
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 60
NJ 2001, 177
RvdW 2001, 37
JWB 2001/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 januari 2001

Eerste Kamer

Rek.nr. R00/107HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. C.J.J.C. van Nispen,

t e g e n

[Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie.

1. Het geding in feitelijke instanties

De Hoge Raad verwijst voor het procesverloop van dit geding tussen thans verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - en verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - naar zijn arrest van 14 januari 2000, NJ 2000, 236.

Bij dat arrest heeft de Hoge Raad het beroep van [verzoeker] verworpen. Hierna heeft het Hof de behandeling van het hoger beroep hervat. Op de rolzitting van 27 april 2000 heeft [verzoeker] leden van het Hof gewraakt.

De gewraakte leden hebben niet in de wraking berust. Namens [verweerster] is op 11 mei 2000 een verweerschrift ingediend, waarin wordt geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek.

Bij beslissing van 7 juni 2000 is het wrakingsverzoek afgewezen.

De beslissing van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beslissing van het Hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De leden van het Hof en [verweerster] hebben geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn cassatieberoep.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De duidelijke en algemeen luidende bewoordingen van art. 32 lid 5 Rv. laten geen ruimte om de bepaling op grond van de ontstaansgeschiedenis anders te interpreteren dan in die zin dat tegen de beslissing in een incident tot wraking generlei hogere voorziening is toegelaten. (HR 22 januari 1999, nr. R98/091, NJ 1999, 243.)

Voor zover het middel de strekking heeft de Hoge Raad te doen terugkomen van deze beslissing, faalt het. De Hoge Raad ziet daartoe geen reden.

Nu het middel geen klachten bevat die grond kunnen opleveren voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod, dient [verzoeker] niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn beroep.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 26 januari 2001.