Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9665

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-01-2001
Datum publicatie
26-09-2001
Zaaknummer
C99/082HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9665
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 64
JWB 2001/33
JB 2001/44 met annotatie van EvdL
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 januari 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/082HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

DE DIENST WEGVERKEER (krachtens wettelijke bepaling getreden in de plaats van de Staat der Nederlanden), gevestigd te Zoetermeer,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. W. Heemskerk,

t e g e n

[Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. drs. K.M. van Holten en mr. W.B.J. van Overbeek.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploit van 1 december 1994 de Staat, waaronder de toenmalige Rijksdienst voor het Wegverkeer ressorteerde, gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Staat te veroordelen tot vergoeding van de door [verweerster] geleden schade voortvloeiend uit de door de Staat aan een groot aantal cliënten van [verweerster] in of omstreeks september 1991 toegezonden brief en het vervolgens vermelden van een bouwjaar op de kentekenbewijzen behorend bij de door [verweerster] aan de geadresseerden van voormelde brief verkochte voertuigen.

De Staat heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 5 juni 1996 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Daarbij heeft [verweerster] haar vordering uitgebreid en tevens vergoeding van schade in verband met het vermelden van een bouwjaar op vier kentekenbewijzen behorend bij vier voertuigen waarvan [verweerster] op het moment van die vermelding zelf eigenaar was, gevorderd.

Eiseres tot cassatie, krachtens wettelijke bepaling getreden in de plaats van de Staat en verder te noemen: de Dienst Wegverkeer, heeft voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld.

Bij arrest van 19 november 1998 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd en de Dienst Wegverkeer veroordeeld om aan [verweerster] te betalen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, de schade van [verweerster] voortvloeiend uit het ten onrechte door de Dienst Wegverkeer afgeven van kentekenbewijzen met vermelding van bouwjaar, dan wel datum eerste afgifte zoals nader in de dagvaarding in hoger beroep omschreven.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft Dienst Wegverkeer beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van Dienst Wegverkeer heeft bij brief van 13 oktober 2000 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerster] importeerde in de jaren tachtig als parallelimporteur auto's hoofdzakelijk van het merk Mercedes Benz, die zij betrok van erkende Mercedes-dealers in Duitsland.

(ii) In die tijd was de directeur van de toenmalige Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: RDW) bevoegd tot afgifte van kentekenbewijzen. Voor de inrichting van een kentekenbewijs waren nadere regels uitgevaardigd, die onder meer inhielden dat onder de noemer “bijzonderheden” nadere gegevens konden worden vermeld.

(iii) In de Staatscourant van 6 augustus 1985, nr. 150, is gepubliceerd de ‘Bekendmaking inzake vermelding bouwjaar op kentekenbewijzen motorvoertuigen’ van 22 juli 1985 (hierna: de Bekendmaking 1985), afkomstig van de directeur van de RDW. Deze hield onder meer het volgende in:

“Indien het motorvoertuig nieuw en ongebruikt is, wordt op het kentekenbewijs geen bouwjaar vermeld. Een motorvoertuig wordt als nieuw en ongebruikt aangemerkt indien het kentekenbewijs wordt aangevraagd middels de Regeling Versnelde Afgifte Kentekenbewijzen of indien blijkt dat het voertuig nieuw en ongebruikt is, hetgeen onder meer uit het invoerdocument moet blijken.”

(iv) Op een kentekenbewijs waarop geen bouwjaar werd vermeld, werd een codering vermeld die aanving met de cijfers “00” en werd bij “bijzonderheden” geen bouwjaar vermeld (zgn. blanco kentekenbewijs). Op een kentekenbewijs waarop wel een bouwjaar werd vermeld, werd een codering opgenomen die aanving met de laatste twee cijfers van het bouwjaar en werd bij “bijzonderheden” het bouwjaar vermeld met de aanduiding “bouwjaar”.

(v) [Verweerster] was, als parallelimporteur, geen deelnemer aan de Regeling Versnelde Afgifte Kentekenbewijzen.

(vi) Bij het beoordelen van de vraag of een voertuig nieuw en ongebruikt was, ging de RDW in gevallen waarin het kentekenbewijs niet werd aangevraagd met toepassing van de onder (v) vermelde regeling, af op gegevens van de Douane, die het in § 3.6 van de ‘Leidraad bijzondere verbruiksbelasting personenauto's’ omschreven criterium hanteerde:

“Auto's welke geen duidelijke sporen van gebruik vertonen worden steeds geacht in ongebruikte staat te verkeren, wanneer zij ook zijn vervaardigd en welke ook de stand van de kilometerteller is. Ook overjarige auto's kunnen derhalve in ongebruikte staat zijn.”

(vii) In oktober 1992 heeft de directeur van de RDW de koppeling aan het invoerdocument losgelaten en een ‘Nadere regeling vermelding bouwjaar op kentekenbewijzen voor motorvoertuigen’ bekendgemaakt (Stcrt. 1992, nr. 199), luidend:

“Een motorvoertuig wordt geacht niet nieuw en ongebruikt te zijn indien het motorvoertuig, vóór de eerste afgifte van een kentekenbewijs in Nederland, reeds in een ander land tot de openbare weg is of was toegelaten.”

(viii) Op 3 december 1992 heeft de directeur van de RDW de ‘Bekendmaking vermelding datum eerste toelating op kentekenbewijs’ vastgesteld (Stcrt. 1992 nr. 238; hierna: de Bekendmaking van 3 december 1992), die met ingang van 1 januari 1993 in werking is getreden.

(ix) In Stcrt. 1994 nr. 241 zijn de ‘Regels vaststelling datum van eerste toelating tot de openbare weg’ gepubliceerd. In de toelichting op de artikelen 3 en 4 wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State (hierna: ARRS) van 17 december 1993 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak (hierna: ABRS) van 9 juni 1994 in beroepszaken tussen [verweerster] en de minister van Verkeer en Waterstaat.

(x) De in (i) bedoelde, door [verweerster] geïmporteerde auto’s waren in Duitsland voor demonstratiedoeleinden gebruikt en sommige ervan hadden aldaar daadwerkelijk aan het verkeer deelgenomen. Mercedes Benz had de Duitse dealers verplicht voor deze demonstratievoertuigen in Duitsland een kenteken aan te vragen. Alle door [verweerster] ingevoerde auto's zijn door de Douane aangemerkt als in ongebruikte staat verkerend. De RDW heeft in alle gevallen (blanco) kentekenbewijzen zonder vermelding van het bouwjaar afgegeven.

(xi) In 1991 is in het kader van een politieonderzoek geconstateerd dat voor alle door [verweerster] ingevoerde auto's eerder in Duitsland een kenteken was afgegeven, iets wat [verweerster] niet aan haar afnemers had meegedeeld.

(xii) In september 1991 heeft de RDW aan 198 afnemers van [verweerster] een brief geschreven, waarin met zoveel woorden werd meegedeeld dat het bouwjaar van hun - van [verweerster] gekochte - auto niet in overeenstemming was met de gegevens op het kentekenbewijs. In verband daarmee vorderde de RDW het kentekenbewijs op. In al deze gevallen heeft de RDW - na ontvangst van het kentekenbewijs - een nieuw kentekenbewijs afgegeven waarop een codering voorkwam, die inhield dat voor de auto als bouwjaar werd vermeld het jaar waarin de auto in Duitsland tot de openbare weg was toegelaten. Na deze aanschrijving hebben de betrokken afnemers zich met een schadeclaim tot [verweerster] gewend.

(xiii)Drie van de aangeschreven afnemers hebben (voor rekening van [verweerster]) bestuursrechtelijk bezwaar gemaakt tegen de wijziging van hun kentekenbewijs en beroep ingesteld bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van State. Deze drie afnemers hebben, nadat voor hun auto alsnog een blanco kentekenbewijs was afgegeven, afgezien van hun schadeclaim tegen [verweerster]. De overige hiervoor bedoelde 195 afnemers hebben een dergelijke bezwaar en beroep niet ingesteld.

(xiv) Daarnaast heeft [verweerster] zelf voor drie auto's uit haar bedrijfsvoorraad in 1991 een Nederlands kentekenbewijs aangevraagd en in 1993 nog voor een vierde, uit België geïmporteerde auto. Voor de eerste drie auto's heeft de RDW een kentekenbewijs afgegeven waarop stond vermeld: “bouwjaar 1990”; op het kentekenbewijs van de vierde auto stond vermeld: “datum eerste toelating 30-6-1991”, hetgeen telkens inhield dat de auto’s bij invoer niet als nieuw werden aangemerkt. [Verweerster] heeft tegen de inhoud van deze kentekenbewijzen bezwaar gemaakt en beroep ingesteld.

(xv) De ARRS, c.q. ABRS heeft de besluiten van de RDW ten aanzien van zowel de onder (xiii) als de onder (xiv) genoemde kentekenbewijzen bij uitspraken van 11 januari 1995, onderscheidenlijk 9 juni 1994 en 17 december 1993 vernietigd. Uiteindelijk is voor alle zeven auto's waarop de beroepen betrekking hadden, door de RDW alsnog een blanco kentekenbewijs afgegeven. De ARRS/ABRS heeft geoordeeld dat het beleid van de RDW om parallel geïmporteerde voertuigen die voordien in een ander land tot de openbare weg zijn toegelaten, voor de afgifte van het kentekenbewijs niet als nieuw aan te merken, zonder de parallelimporteur de mogelijkheid te bieden tegenbewijs te leveren, een invoerbelemmerende maatregel is en in strijd is met art. 30 (oud) EG-verdrag.

3.2 In 1994 heeft [verweerster] de Staat, waaronder de RDW ressorteerde, gedagvaard voor de Rechtbank. [Verweerster] vorderde uit hoofde van onrechtmatige daad schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

De Rechtbank achtte het handelen van de RDW jegens [verweerster] onrechtmatig doch heeft de vordering (die toen nog slechts de hiervoor in 3.1 onder (xiii) vermelde 195 auto's omvatte) afgewezen op de grond dat causaal verband tussen de onrechtmatigheid en de gestelde schade ontbreekt, omdat de schade naar het oordeel van de Rechtbank is veroorzaakt doordat [verweerster] haar klanten niet had meegedeeld dat voor de door haar verkochte auto's in Duitsland een kentekenbewijs was afgegeven.

3.3.1 [Verweerster] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. In hoger beroep is in plaats van de Staat de inmiddels verzelfstandigde Dienst Wegverkeer als geïntimeerde/voorwaardelijk incidenteel appellante opgetreden.

Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank vernietigd en de Dienst Wegverkeer veroordeeld om aan [verweerster] te vergoeden de schade van [verweerster] voortvloeiend uit het ten onrechte door de Dienst Wegverkeer afgeven van kentekenbewijzen met vermelding van bouwjaar dan wel datum van eerste afgifte zoals nader in de dagvaarding in hoger beroep omschreven.

3.3.2 Het arrest van het Hof bevat enige kennelijke verschrijvingen, die de Hoge Raad als volgt gecorrigeerd leest:

- waar het Hof het heeft over uitspraken van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State (ARRS) van 9 juni 1994 en 11 januari 1995 moet gelezen worden: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS);

- in rov. 5.1 moet voor: “de Bekendmaking van 6 augustus 1985” gelezen worden: “de Bekendmaking van 3 december 1992”.

3.3.3 Het Hof heeft, voorzover in cassatie van belang en samengevat weergegeven, aan zijn in

3.3.1 vermelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:

(1) Uit het enkele feit dat voor te importeren auto's eerder in het buitenland een kentekenbewijs is afgegeven, kan niet worden afgeleid dat de auto’s niet nieuw zijn. (rov. 3.2)

(2) Belanghebbende behoort in de gelegenheid te zijn voor de nieuwheid (tegen)bewijs te leveren. (rov. 3.2)

(3) Voor degenen die de litigieuze auto's van [verweerster] kochten, was kennelijk niet zozeer het feit dat voor hun auto eerder een Duits kentekenbewijs was afgegeven, als wel het feit van het (alsnog) vermelden van een bouwjaar op het kentekenbewijs van belang. (rov. 3.3)

(4) Wanneer [verweerster] bij de koop zou hebben meegedeeld dat voor deze auto's eerder een kentekenbewijs was afgegeven, doch dat de auto's wel nieuw waren zodat het kentekenbewijs geen bouwjaar zou vermelden, zou geen sprake zijn geweest van misleiding dan wel onjuiste of onvolledige voorlichting door [verweerster]. De schade voor deze kopers zou dan ook uitsluitend veroorzaakt zijn door het vermelden van een (ander) bouwjaar op het kentekenbewijs. (rov. 3.4)

(5) Ook indien het feit dat [verweerster] niet aan haar kopers melding heeft gemaakt van het eerdere Duitse kenteken, wanprestatie van [verweerster] oplevert, kan niet gezegd worden dat de schade van de kopers (en daarmee de schade voor [verweerster]) uitsluitend door het achterwege laten van die mededeling is veroorzaakt. De schade is ook veroorzaakt door de niet zonder meer juiste mededeling van de RDW aan de kopers, dat het kentekenbewijs onjuist was en door de daarop gevolgde wijziging van dat kentekenbewijs. (rov. 3.5)

(6) De na de mededeling van september 1991 totstandgekomen besluiten ten aanzien van de hiervoor in 3.1 onder (xiii) bedoelde 195 auto’s hebben formele rechtskracht gekregen. Deze heeft echter alleen werking tussen de Staat en de houders van de betrokken kentekenbewijzen en kan niet aan [verweerster] worden tegengeworpen. [Verweerster] behoorde immers niet tot de kring van mogelijke reclamanten tegen de besluiten nu zij geen kentekenhouder was. (rov. 5.1 in verbinding met de door het Hof overgenomen rov. 3.3 van het vonnis van de Rechtbank)

(7) Zich aansluitend bij hetgeen de Afdeling bestuursrechtspraak in haar uitspraak van 9 juni 1994 heeft overwogen met betrekking tot de daar aan de orde zijnde Bekendmaking van 3 december 1992, achtte het Hof het door de RDW ten aanzien van de litigieuze gevallen toegepaste beleid onrechtmatig, omdat dit moet worden aangemerkt als een maatregel van gelijke werking in de zin van art. 30 (oud) van het EG-verdrag, en wel om de volgende redenen:

- De RDW beschouwt een voertuig dat eenmaal hier of in een ander land tot de openbare weg is toegelaten, steeds als een gebruikt voertuig en gaat dienovereenkomstig over tot het vermelden van de datum van deze toelating op het kentekenbewijs. Het door de RDW gevoerde beleid biedt een parallelimporteur als [verweerster] niet de mogelijkheid tegenbewijs te leveren, in dier voege, dat een voertuig, hoewel het eerder tot de openbare weg is toegelaten, toch feitelijk nieuw en ongebruikt is.

- De RDW verleent voorts aan een tot het officiële importnetwerk behorende dealer voor een voertuig, dat eerder in Duitsland tot de openbare weg is toegelaten, wel een blanco kentekenbewijs, indien uit een verklaring van een officiële Duitse dealer blijkt, dat het voertuig feitelijk nieuw en ongebruikt is, terwijl bij parallelimport het verkrijgen van een dergelijke verklaring niet mogelijk is en de regeling er niet in voorziet dat een parallelimporteur in de gelegenheid wordt gesteld dit bewijs op een andere wijze te leveren. Er is derhalve sprake van een ongelijke behandeling van parallelimporteurs ten opzichte van officiële importeurs.

- Dit beleid is niet gerechtvaardigd op grond van bescherming van het consumentenbelang en het belang van de verkeersveiligheid.

- De handelsbelemmering voor parallelimporteurs is derhalve gelegen in het feit, dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld te bewijzen dat de door hen ingevoerde auto's nieuw zijn. (rov. 5.1)

(8) Het verweer van de Dienst Wegverkeer dat in de hiervoor in 3.1 onder (xiii) bedoelde 195 gevallen niet door de ARRS, c.q. de ABRS is vastgesteld dat het beleid in strijd met art. 30 (oud) EG-verdrag was en dat het nog maar de vraag is of, als in die gevallen wel beroep was ingesteld, niet de mogelijkheid zou zijn geboden om tegenbewijs te leveren en of het tegenbewijs wel geleverd had kunnen worden, wordt verworpen.

In de eerste plaats is niet gesteld of gebleken dat de RDW vóór de bedoelde uitspraken van de ARRS en ABRS in enig geval is afgeweken van haar beleid om een parallelimporteur niet de mogelijkheid te bieden bewijs te leveren dat de door hem ingevoerde auto nieuw was, en evenmin dat de RDW die mogelijkheid ooit heeft overwogen. Derhalve kan ervan worden uitgegaan dat in de bedoelde 195 gevallen die mogelijkheid niet (eerder dan in een procedure voor de ARRS/ABRS) zou zijn geboden. Het feit dat de RDW, nadat [verweerster] in de bij de ARRS/ABRS aanhangige gevallen alsnog de gelegenheid kreeg te bewijzen dat deze auto's bij invoer nieuw waren, in verband met de onmogelijkheid - gelet op het tijdsverloop - voor [verweerster] om dat bewijs nog te leveren, alsnog is overgegaan tot het afgeven van blanco kentekenbewijzen voor die auto's, wijst erop dat de gevolgen van de onrechtmatigheid niet ongedaan konden worden gemaakt door [verweerster] alsnog de gelegenheid tot bewijsvoering te geven. Derhalve dient de vraag of dat bewijs al dan niet geleverd zou zijn, buiten beschouwing te blijven. (rov. 5.2)

(9) Gelet op de stellige wijze waarop de RDW - met verwijzing naar een politie-onderzoek - zich over de onjuistheid van het kentekenbewijs heeft uitgelaten, was het redelijkerwijs te verwachten dat de afnemers van [verweerster] als reactie daarop [verweerster] zouden aanspreken tot schadevergoeding en niet zelf een procedure zouden beginnen. Het door de Dienst Wegverkeer gevoerde verweer dat het causaal verband tussen de schade en de onrechtmatige daad doorbroken is omdat de kopers geen gebruik hebben gemaakt van de voor hen openstaande bestuursrechtelijke rechtsgang, namelijk die van bezwaar tegen wijziging van het kentekenbewijs, wordt dan ook verworpen en naar het oordeel van het Hof is ook in de bedoelde 195 gevallen sprake van onrechtmatig handelen van de RDW jegens [verweerster]. (rov. 5.3)

(10) Het is voldoende aannemelijk dat [verweerster] door het onrechtmatig handelen van de RDW schade heeft geleden, om de Dienst Wegverkeer tot schadevergoeding, op te maken bij staat, te veroordelen. (rov. 7)

(11) Naar het Hof in zijn rov. 3.5 heeft overwogen (zie hiervoor onder (4)), moet worden aangenomen dat, indien wanprestatie van [verweerster] ten opzichte van haar afnemers zou moeten worden aangenomen, de schade ten dele ook door deze wanprestatie is veroorzaakt. Zulks kan evenwel niet worden aangenomen, nu [verweerster], zoals het Hof in zijn rov. 5.2 heeft overwogen (zie hiervoor onder (8)), als gevolg van het onrechtmatig handelen van de RDW thans niet meer in staat moet worden geacht te bewijzen dat de door haar ingevoerde auto's nieuw waren. Derhalve is [verweerster] ook niet meer in staat de schade voorzover die door haar - eventuele - wanprestatie zou zijn veroorzaakt te beperken. Het Hof is dan ook van oordeel dat de gehele schade moet worden toegerekend aan het onrechtmatig handelen van de RDW. (rov. 8)

3.4 De Dienst Wegverkeer komt tegen dit arrest op met een middel, bestaande uit vier onderdelen, waarvan de onderdelen 2 en 3 zijn onderverdeeld in subonderdelen. Onderdeel 1 en subonderdeel 3.1 bevatten uitsluitend een inleiding op de erna volgende (sub)onderdelen.

3.5 Subonderdeel 2.1 klaagt dat rov. 3.4 (hiervoor in 3.3.3 weergegeven onder (4)), waarin het Hof ervan uitgaat dat de door [verweerster] verkochte auto's, alhoewel daarvoor eerder een (buitenlands) kentekenbewijs was afgegeven, wel nieuw waren, onbegrijpelijk is in het licht van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 9 juni 1994, waarbij het Hof in rov. 5.1 zegt zich aan te sluiten, nu daaruit slechts voortvloeit dat uit het enkele feit dat voor de auto's eerder in het buitenland een kentekenbewijs was afgegeven, niet kan worden afgeleid dat de auto's niet nieuw waren, maar dat aan de belanghebbende de gelegenheid behoort te worden geboden voor de (eventuele) nieuwheid tegenbewijs te leveren.

De klacht faalt. De overwegingen van het Hof, hiervoor in 3.3.3 weergegeven onder (8), komen erop neer dat het Hof van oordeel is dat in de onderhavige procedure ervan moet worden uitgegaan dat de auto's bij invoer in feite nieuw en ongebruikt waren. De omstandigheid dat dit oordeel niet zonder meer voortvloeit uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak, maakt dit oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk.

3.6 Subonderdeel 2.3 klaagt dat het in subonderdeel 2.1 bestreden oordeel onvoldoende gemotiveerd is, nu de Dienst Wegverkeer uitdrukkelijk heeft gesteld dat de mededeling van de RDW aan de betrokken kopers dat het bouwjaar van de door hen aangekochte auto niet in overeenstemming was met de gegevens op het daarvoor afgegeven kentekenbewijs, niet in alle gevallen onjuist was. Ook deze klacht is tevergeefs voorgesteld. Het Hof is aan deze stelling niet voorbijgegaan, maar heeft haar op de hiervoor in 3.3.3 onder (8) weergegeven gronden verworpen.

3.7 Subonderdeel 2.4 betoogt dat “aan het vorenstaande niet (kan) afdoen” één van de omstandigheden die door het Hof zijn vermeld ter onderbouwing van zijn hiervoor in 3.3.3 onder (8) bedoelde oordeel. Voorzover dit subonderdeel al een klacht bedoelt in te houden, kan het niet tot cassatie leiden omdat het bij gebrek aan begrijpelijkheid niet voldoet aan de aan een klacht in cassatie te stellen eisen.

3.8 De subonderdelen 2.2, 2.5, en 3.3 houden klachten in tegen onderscheidenlijk rov. 3.4, rov. 5.2 en rov. 5.3 Deze klachten zijn alle gebaseerd op het uitgangspunt dat de besluiten tot wijziging van de kentekenbewijzen formele rechtskracht hebben gekregen ten aanzien van de hiervoor in 3.1 onder (xiii) bedoelde 195 afnemers die geen bezwaar en beroep hebben ingesteld, en dat deze formele rechtskracht ook werking heeft tegenover [verweerster].

De Dienst Wegverkeer heeft dit beroep op de formele rechtskracht ook in de vorige instanties gedaan. Het Hof heeft het verworpen in de eerste volzin van rov. 5.1 (hiervoor in 3.3.3 weergegeven onder (6)). Nu de hiertegen gerichte klacht faalt (zie hierna, 3.11), falen de in de vorige alinea vermelde klachten reeds op de grond dat zij van een onjuist uitgangspunt uitgaan.

3.9 Het falen van subonderdeel 2.5 brengt mee dat ook de eerste klacht van subonderdeel 2.6, die voortbouwt op subonderdeel 2.5, niet kan slagen.

De tweede klacht van subonderdeel 2.6 faalt omdat deze eraan voorbij ziet dat de bestreden overweging betrekking heeft op de vraag welk bewijs [verweerster] in de onderhavige procedure zou kunnen leveren.

De derde klacht van het subonderdeel kan niet tot cassatie leiden bij gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan in de klacht wordt aangenomen, heeft het Hof zich, althans wat betreft de daarin niet berechte gevallen, slechts in zoverre bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 9 juni 1994 aangesloten, dat het op dezelfde gronden als gehanteerd door de Afdeling is gekomen tot zijn oordeel dat het litigieuze beleid van de RDW onrechtmatig was.

3.10 Subonderdeel 3.2 is gericht tegen rov. 8, hiervoor in 3.3.3 weergegeven onder (11).

Bij de beoordeling van dit subonderdeel moet worden vooropgesteld dat het in rov. 8 vervatte oordeel de verwerping inhoudt van een door de Dienst Wegverkeer aangevoerd verweer, namelijk dat de schade mede is veroorzaakt door wanprestatie van [verweerster] ten opzichte van haar afnemers en in zoverre niet aan de Dienst kan worden toegerekend. De bewijslast voor de gegrondheid van dit verweer rustte in beginsel op de Dienst Wegverkeer.

Het subonderdeel richt een rechts- en een motiveringsklacht tegen de overwegingen van het Hof dat [verweerster], als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Dienst Wegverkeer, thans niet meer in staat moet worden geacht te bewijzen dat de door haar ingevoerde auto's nieuw waren en dat derhalve [verweerster] ook niet meer in staat is de schade voorzover die door haar - eventuele - wanprestatie zou zijn veroorzaakt, te beperken. Deze overwegingen strekken kennelijk ter onderbouwing van 's Hofs oordeel dat van [verweerster] geen bewijs kan worden verlangd dat de auto’s bij invoer alle nieuw en ongebruikt waren. Nu de bewijslast voor het in rov. 8 behandelde verweer op de Dienst Wegverkeer en niet op [verweerster] rust, dragen deze overwegingen in zoverre het karakter van overwegingen ten overvloede. De in subonderdeel 3.2 vervatte klachten kunnen derhalve wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

3.11 Subonderdeel 3.4 is kennelijk gericht tegen het hiervoor in 3.3.3 onder (6) weergegeven oordeel van het Hof. Het strekt ten betoge dat [verweerster] geen eigen, rechtstreeks belang bij de kentekenbewijzen van de door haar verkochte en aan de kopers geleverde auto's meer had en dat de vraag of de met betrekking tot die kentekenbewijzen genomen besluiten al dan niet rechtmatig zijn, daarom niet door haar aan de burgerlijke rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd.

Het Hof heeft terecht geoordeeld dat, nu voor [verweerster] tegen de hier aan de orde zijnde besluiten geen andere, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan, de vraag of deze besluiten jegens [verweerster] onrechtmatig zijn niet aan het oordeel van de burgerlijke rechter is onttrokken. Subonderdeel 3.4 is derhalve tevergeefs voorgesteld.

3.12 Onderdeel 4 klaagt dat het Hof ten aanzien van de hiervoor in 3.1 onder (xiii) bedoelde 195 gevallen slechts heeft vastgesteld dat de RDW onrechtmatig heeft gehandeld en niet tevens dat de aldus geschonden norm (mede) strekte ter bescherming van de belangen van [verweerster].

Deze klacht mist feitelijke grondslag en kan daarom niet tot cassatie leiden. In rov. 5.1, hiervoor in 3.3.3 weergegeven onder (7), ligt besloten dat naar het oordeel van het Hof de door de RDW geschonden norm (mede) strekt ter bescherming van parallelimporteurs zoals [verweerster].

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Dienst Wegverkeer in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 26 januari 2001.