Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9627

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35779
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2001/98
BNB 2001/109
WFR 2001/135, 3
V-N 2001/24.7 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 35779

24 januari 2001

YS

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 september 1999, nr. 98/05053, betreffende na te melden aan hem voor het jaar 1996 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 43.234, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Hangende het beroep heeft de Inspecteur de aanslag ambtshalve verminderd.

Het Hof heeft de uitspraak vernietigd en de aanslag gehandhaafd zoals deze ambtshalve is verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij verweerschrift zich gedeeltelijk gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. ’s Hofs oordeel dat belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, niet heeft doen blijken dat hij meer aftrekbare kosten heeft gemaakt dan het forfaitaire bedrag van f 2.507 kan, als berustende op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen, in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het geeft geen blijk van een onjuiste verdeling van de bewijslast en is niet onbegrijpelijk. De tegen dit oordeel gerichte klacht faalt derhalve.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het geen termen aanwezig acht voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. In cassatie wordt dit oordeel bestreden met de klacht dat het Hof, na de Inspecteur in het ongelijk te hebben gesteld, deze had moeten veroordelen in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand van belanghebbende.

Gelijk de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 12 maart 1997, nr. 30828, BNB 1997/201, in welk arrest het gerechtshof evenals in het onderhavige geval de aanslag had gehandhaafd zoals deze ambtshalve was verminderd, geldt dienaangaande het volgende. Bij de toepassing van genoemd artikel heeft als hoofdregel te gelden dat, indien een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, zijn wederpartij in de kosten van het geding wordt veroordeeld. Met deze hoofdregel en de in het Besluit proceskosten fiscale procedures opgenomen forfaitaire regeling voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand strookt het om in het geval dat een belanghebbende die vertegenwoordigd wordt door een beroepsmatig rechtsbijstand verlenende gemachtigde gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, de wederpartij in die, geen nadere opgaven behoevende, kosten te veroordelen tenzij het oordeel gerechtvaardigd is dat daarop geen aanspraak wordt gemaakt.

De uitspraak van het Hof en de stukken van het geding geven geen aanleiding voor de veronderstelling dat voor het Hof geen aanspraak werd gemaakt op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, zodat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat daarop wel aanspraak werd gemaakt. De klacht is derhalve gegrond. De uitspraak van het Hof kan, wat betreft de proceskosten, niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend ten aanzien van de beslissing omtrent de proceskosten,

- gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 160,

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 710 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 1775 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.H. Beukenhorst als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2001.