Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9606

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-01-2001
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
01878/00 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9606
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 99
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 januari 2001

Strafkamer

nr. 01878/00 U

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank

te Haarlem van 10 april 2000, met parketnummer 15/700007-00, op een verzoek

van het Bayerisches Staatsministerium der Justiz tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Libanon) op [geboortedatum]

1955, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire

Inrichting "Haarlem" te Haarlem.

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Bondsrepubliek Duitsland toelaatbaar verklaard ter strafvervolging van hem ter zake van het feit omschreven in het “Haftbefehl” en zoals gewijzigd in het “Beschluss” als bijlage I respectievelijk II aan de bestreden uitspraak gehecht.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Bondsrepubliek Duitsland ter strafvervolging ter zake van het feit, omschreven in het Haftbefehl van 4 augustus 1983 in samenhang met het Beschluß van 14 augustus 1989, toelaatbaar zal verklaren en het beroep voor het overige zal verwerpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Aan de beoordeling van het middel voorafgaande beschouwing

3.1. Op grond van de door de Advocaat-Generaal ingewonnen inlichtingen, waaromtrent de verdediging zich heeft kunnen uitlaten, moet worden aangenomen dat de uitlevering van de opgeëiste persoon is verzocht ter strafvervolging ter zake van het feit dat is omschreven in het Haftbefehl van het Amtsgericht Weilheim van 4 augustus 1983 (Gs 494/83), zoals gewijzigd bij het Beschluß van het Amtsgericht Weilheim van 14 augustus 1989 (2 Gs 508/89), en niet - zoals de Rechtbank heeft aangenomen - ter zake van het feit dat is omschreven in het Haftbefehl van het Amtsgericht Weilheim van 29 juni 1983 (Gs 445/83), zoals gewijzigd bij voormeld Beschluß.

3.2. Nu beide Haftbefehle gelijkluidend zijn ten aanzien van de omschrijving van het feit waarvoor de uitlevering is gevraagd, zal de Hoge Raad volstaan met verbetering van het dictum van de Rechtbank.

3.3. Bij de beoordeling van de bestreden uitspraak en van het daartegen gerichte middel gaat de Hoge Raad uit van deze verbeterde aanduiding van het Haftbefehl.

4. Beoordeling van het middel

4.1. Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de verwerping door de Rechtbank van het verweer dat het recht tot strafvervolging ter zake van het feit waarvoor de uitlevering is verzocht, naar Nederlands recht en naar Duits recht is verjaard.

4.2. De Rechtbank heeft naar aanleiding van bedoeld verweer het volgende overwogen en beslist (de Hoge Raad heeft de overwegingen genummerd):

“1. Op grond van artikel 10 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering (EUV) wordt uitlevering niet toegestaan, indien volgens de wet van de verzoekende staat of die van de aangezochte staat het recht tot strafvervolging is verjaard.

2. Dat onjuist zou zijn hetgeen omtrent dit recht is verklaard in meervermelde Bescheinigung - te weten dat vervolgingsverjaring nog niet is ingetreden - acht de rechtbank, mede gelet op de terzake overgelegde bepalingen, niet aannemelijk.

3. Met betrekking tot de vraag of het recht tot strafvervolging naar Nederlands recht is verjaard, overweegt de rechtbank dat in Nederland de maximale gevangenisstraf voor een delict als het onderhavige vier jaren bedraagt. Op grond van artikel 70 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht geldt voor de verjaring van het recht tot strafvervolging alsdan een termijn van twaalf jaren. Gelet op de pleegdatum van het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, te weten 7 mei 1983, betekent dit dat het recht tot strafvervolging - indien de verjaring niet is gestuit - naar Nederlands recht is verjaard.

4. Ingevolge artikel 62 van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst dient de vraag naar de stuiting van de verjaring van het recht tot strafvervolging uitsluitend te worden beantwoord aan de hand van de voorschriften van de verzoekende staat.

5. Gelet op het hierboven reeds vermelde Beschluss van 14 augustus 1989, behelzende een wijziging van het eerdere Haftbefehl van 29 juni 1983, alsmede gelet op de terzake overgelegde toepasselijke Duitse wettelijke voorschriften houdt de rechtbank het ervoor, dat de verjaring van de vervolging voor het onderhavige delict naar Duits recht laatstelijk op 14 augustus 1989 opnieuw is gestuit. Een en ander betekent dat de naar Nederlands recht geldende verjaringstermijn van twaalf jaren ten tijde van het uitleveringsverzoek nog niet was verstreken. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat naar Duits noch naar Nederlands recht het recht tot strafvervolging is verjaard.

6. Artikel 10 EUV staat dan ook, anders dan ter zitting is betoogd, niet aan de verzochte uitlevering in de weg.

7. Het verweer dat de Schengen Uitvoeringsovereenkomst in dit geval toepassing zou ontberen in verband met de datum van inwerkingtreding ervan faalt evenzeer, nu het onderhavige uitleveringsverzoek dateert van na die datum”.

4.3. In het licht van de door de verzoekende Staat overgelegde wetsbepalingen is het hiervoor in 4.2 onder 2 weergegeven oordeel van de Rechtbank niet onbegrijpelijk. Gelet op het bepaalde in art. 99, eerste lid aanhef en onder 2°, RO is voor verdere toetsing in cassatie geen plaats. De tegen dat oordeel opgeworpen klacht faalt dus.

4.4. De hiervoor in 4.2 onder 4, 6 en 7 weergegeven oordelen van de Rechtbank zijn juist. Deze oordelen worden in het middel vruchteloos bestreden, aangezien daarin wordt miskend

(a) dat het onderzoek naar de verjaring van het feit waarvoor de uitlevering is verzocht, dient te geschieden op de grondslag van de verdragsvoorschriften die gelden ten tijde van de beslissing op het verzoek tot uitlevering, en

(b) dat art. 62 van de Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord (Trb. 1990, 145; hierna: SUO) niet - ook niet op grond van art. 134 van die Overeenkomst - onverenigbaar is met art. 10 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering (EUV).

4.5. Voorzover het middel betoogt dat art. 62, eerste lid, SUO niet van toepassing is in gevallen waarin Nederland ook zelf rechtsmacht had kunnen uitoefenen over de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, en dientengevolge in dit geval de verjaring van het recht tot strafvervolging van die feiten naar Nederlands recht is voltooid zodat de uitlevering ontoelaatbaar is, kan het evenmin slagen. De tekst van genoemde verdragsbepaling biedt geen aanknopingspunt voor een dergelijke beperkte uitleg. Voorts vormt het met ingang van 1 oktober 2000 van kracht geworden art. 9, vierde lid, UW, - gelezen in samenhang met art. 8, eerste en tweede lid, van de Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie (Trb. 1996, 304) - een aanwijzing dat de rechtsmacht van Nederland ter zake van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht niet van belang is bij de rechterlijke beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering, indien het toepasselijke verdrag de verjaring naar het recht van de aangezochte staat als grond voor weigering van de uitlevering inperkt.

4.6. De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, behoudens ten aanzien van hetgeen onder 3 is overwogen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voorzover daarbij de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Duitse autoriteiten toelaatbaar is verklaard ter strafvervolging ter zake van het feit zoals omschreven in het Haftbefehl van het Amtsgericht Weilheim van

29 juni 1983 (Gs 445/83), zoals gewijzigd bij het Beschluß van het Amtsgericht Weilheim van 14 augustus 1989 (2 Gs 508/89);

Verklaart toelaatbaar de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Bondsrepubliek Duitsland ter zake van het feit zoals omschreven in het Haftbefehl van het Amtsgericht Weilheim van 4 augustus 1983 (Gs 494/83), zoals gewijzigd bij het Beschluß van het Amtsgericht

Weilheim van 14 augustus 1989 (2 Gs 508/89);

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren

G.J.M. Corstens, A.M.M. Orie, A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 23 januari 2001.