Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9594

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-01-2001
Datum publicatie
19-02-2002
Zaaknummer
01805/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9594
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 359a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 76
NJ 2001, 327
VR 2001, 59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 januari 2001

Strafkamer

nr. 01805/00

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van

29 december 1999, parketnummer 23/000498-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te

[woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van

Bewaring “Demersluis” te Amsterdam.

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 9 februari 1999 - de verdachte ter zake van 1. en 2. “doodslag, meermalen gepleegd”, 3. “poging tot doodslag” en 4. “als bestuurder van een motorrijtuig overtreden van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd” veroordeeld tot zeven jaren gevangenisstraf, met ten aanzien van feit 4. tot driemaal ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van telkens twee jaren.

1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal is aan dit arrest gehecht.

3. Beoordeling van het vijfde middel

3.1. Het middel keert zich tegen het oordeel van het Hof dat de verdachte met het te dezen vereiste opzet heeft gehandeld. In het bijzonder wordt geklaagd over de toereikendheid van de motivering van het oordeel dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij door zijn rijgedrag de dood van de in de bewezenverklaring genoemde fietsers zou veroorzaken.

3.2. Het Hof heeft in aansluiting op de gebezigde bewijsmiddelen het volgende overwogen:

"Uit de inhoud van de met betrekking tot de feiten 1 primair, 2 primair en 3 primair gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, vloeit voort dat verdachte op de desbetreffende vrijdagavond/zaterdagmorgen een aanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank heeft genuttigd en vervolgens is gaan autorijden, waarna hij bij een staandehouding door de politie is weggereden uit vrees de nacht in het politiebureau te moeten doorbrengen. Hij heeft - naar eigen zeggen - bij de bepaling van zijn daarop volgende verkeersgedrag slechts voor ogen gehad dat hij zich koste wat kost aan de politie wilde onttrekken. Hij is daarbij met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur door de bebouwde kom van Enkhuizen gereden, terwijl hij wist dat het daar in het weekend op de desbetreffende tijd meestal druk is, omdat de café’s dan net gesloten zijn. Hij heeft daarbij, op het Westeinde rijdend, bovendien zijn lichten gedoofd, ondanks het feit dat het Westeinde een niet al te brede, slechts aan één zijde - matig - verlichte straat is. Ondanks het feit dat [het] aldaar fietsende [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] achterverlichting voerden en derhalve voor de verdachte zichtbaar moeten zijn geweest, is hij achtereenvolgens tegen elk van hen aangereden. Na elk van die aanrijdingen heeft verdachte zijn weg vervolgd, waarbij hij bovendien nog tussentijds gas heeft bijgegeven.

Uit de genoemde bewijsmiddelen vloeit derhalve naar het oordeel van het hof voort dat verdachte minstgenomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij door zijn rijgedrag de dood van de voormelde fietsers zou veroorzaken. Het hof acht daarom het aan de verdachte verweten opzet op de dood van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] bewezen”.

3.3. Het oordeel van het Hof dat de verdachte onder de omstandigheden als vermeld in de gebezigde bewijsmiddelen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij door zijn rijgedrag de dood van de in de bewezenverklaring genoemde fietsers zou veroorzaken, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is toereikend gemotiveerd.

3.4. Hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard en in de toelichting op het middel is weergegeven - samengevat hierop neerkomend dat hij zich een aantal gebeurtenissen voor, tijdens en na het in de bewezenverklaring omschreven inrijden, althans botsen op de daar genoemde fietsers niet of slechts gedeeltelijk kan herinneren - noopte het Hof niet tot een nadere motivering van voormeld oordeel, reeds omdat het aldus aangevoerde wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de bewijsmiddelen 8 en 19.

3.5. Het middel faalt dus.

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof aan een onherstelbaar vormverzuim ten onrechte en zonder deugdelijke motivering de sanctie van bewijsuitsluiting en niet die van strafvermindering heeft verbonden.

4.2. Het Hof heeft naar aanleiding van een in hoger beroep gevoerd verweer het volgende overwogen en beslist:

“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte in zijn verdediging is geschaad nu de auto van verdachte is vernietigd zodat daarmee geen nieuwe reconstructie gedaan kan worden en evenmin nader onderzoek naar de schadesporen aan de onderkant van de auto, waaruit nadere omstandigheden zouden kunnen blijken omtrent de aanrijding met de fietser [slachtoffer 2]. Dit onherstelbaar vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek dient, aldus de raadsman, op de voet van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, te leiden tot matiging van de aan verdachte op te leggen straf. Het hof is van oordeel dat met de vernietiging van voormelde auto bij het voorbereidend onderzoek een vormverzuim is begaan dat niet meer kan worden hersteld, terwijl de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken. Met inachtneming van de terzake in lid 2 van genoemd artikel 359a genoemde criteria is het hof van oordeel dat voormeld vormverzuim ertoe dient te leiden dat de gehouden reconstructie en de resultaten daarvan -zoals opgenomen op de bij de gedingstukken behorende videoband en zoals neergelegd in het van de gedingstukken deel uitmakende proces- verbaal- niet mogen bijdragen aan het bewijs van het telastegelegde. Het hof bezigt mitsdien die reconstructie en de resultaten ervan niet tot het bewijs van het telastegelegde”.

4.3. Het oordeel van het Hof komt erop neer dat de vernietiging van de door de verdachte bestuurde auto - en daarmee van de zich daaraan bevindende, door de raadsman genoemde schadesporen ten gevolge van de aanrijding met het slachtoffer [slachtoffer 2] - te dezen leidt tot uitsluiting van het bewijs van de resultaten van een met een andere auto gehouden reconstructie.

Daarmee heeft het Hof als zijn kennelijke oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verdediging door dat vormverzuim in zodanige mate is beknot in de mogelijkheid de resultaten van de wel gehouden reconstructie te betwisten, dat die resultaten van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Een en ander geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder niet omtrent het bepaalde in art. 359a, eerste lid aanhef en onder b, Sv, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Het kan, verweven als het is met de aan de feitenrechter voorbehouden weging van de feiten en omstandigheden van het geval, in cassatie niet verder worden getoetst.

Voorzover het middel in het tweede onderdeel klaagt dat de resultaten van de gehouden reconstructie niet kunnen gelden als “resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen”, als in genoemde bepaling bedoeld, faalt het dus.

Ook het eerste onderdeel van het middel slaagt niet, omdat het berust op de onjuiste opvatting dat de strekking van art. 359a Sv meebrengt dat de verdachte van een vormverzuim, zoals te dezen door het Hof is vastgesteld, “enig profijt moet hebben”.

4.4. Het middel faalt dus.

5. Beoordeling van het derde middel

5.1. In het middel wordt er allereerst over geklaagd dat het Hof de strafoplegging heeft gebaseerd op tegenstrijdige conclusies van deskundigen. Voorts wordt er in het middel over geklaagd dat een van die conclusies niet voldoet aan de eisen die art. 343 Sv daaraan stelt.

5.2. De klachten van het middel falen op de gronden als vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8.1 tot en met 8.4 en 8.7 en 8.8.

6. Beoordeling van het tweede en het vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

7. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

8. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren

F.H. Koster, G.J.M. Corstens, J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 23 januari 2001.