Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9564

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-01-2001
Datum publicatie
26-09-2001
Zaaknummer
C99/127HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9564
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Koophandel 275
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 47
NJ 2001, 176
RvdW 2001, 35
S&S 2001, 122
JWB 2001/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 januari 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/127HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. TOLLENAAR & WEGENER B.V., gevestigd te Amsterdam,

2. AEGON SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te 's-Gravenhage,

3. INTERLLOYD SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Amsterdam,

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij twee exploiten van 5 juli 1994 eiseressen tot cassatie - tezamen verder te noemen: Verzekeraars, dan wel afzonderlijk: Tollenaar & Wegener, Aegon en Interlloyd - gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. Tollenaar & Wegener te veroordelen om aan [verweerder] te betalen een bedrag van ƒ

168.000, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 1992;

2. Aegon te veroordelen om aan [verweerder] te betalen een bedrag van ƒ 168.000,--,

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 1992;

3. Interlloyd te veroordelen om aan [verweerder] te betalen een bedrag van ƒ 144.000,--,

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 1992;

4. de verzekeraars gezamenlijk te veroordelen in de kosten van het gehouden voorlopig

getuigenverhoor en van de procedure.

Verzekeraars hebben de vorderingen bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 5 maart 1997 de vorderingen van [verweerder] toegewezen.

Tegen dit vonnis hebben Verzekeraars hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 24 december 1998 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben Verzekeraars beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Spier strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van Verzekeraars heeft bij brief van 3 november 2000 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel.

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 27 december 1990 sloot [verweerder] door bemiddeling van [onderneming D] een transport-contractovereenkomst met Verzekeraars ter verzekering van een klavecimbel.

(ii) Het polisblad vermeldt onder meer het volgende:

“Maximumbedrag: fl. 480.000,--

Interesten: een clavecimbel als omschreven in taxatierapport d.d. 4 januari 1991 van

[verweerder].”

(iii) Het taxatierapport bevat de volgende passages:

“De ondergetekende: [verweerder]

beëdigd taxateur in clavecimbels en antieke toetsinstrumenten, als zodanig beëdigd door de Voorzitter van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor vijf jaren op 16 januari 1989, kantoor houdend en wonende te [woonplaats].

in aanmerking nemende dat:

hij van [zwartgemaakte tabs], wonende te [woonplaats] - hierna te noemen: de Opdrachtgever - de opdracht heeft gekregen om op te nemen en te waarderen ten behoeve ener verzekering, bepaalde roerende zaken zich bevindende op het adres [a-straat 1];

de hiervoor bedoelde roerende zaken worden hierna tezamen aangeduid als: de Voorwerpen;

verklaart:

1. De Voorwerpen na onderzoek ter plaatse, te hebben opgnomen en gewaardeerd, als bedoeld in artikel 275, Wetboek van Koophandel, en aan de Voorwerpen, nader omschreven in (lees: het) aangehechte volgblad, een vervangingswaarde toe te kennen van ƒ 480.000,00 (zegge vierhonderdtachtigduizend gulden).

2. Niet te zijn de verzekerde zelf noch op enigerlei wijze tot deze in dienstbetrekking te staan."

(iv) Bij brief van 11 juni 1992 bevestigde [onderneming D] aan [verweerder] dat onder de hiervoor vermelde verzekering tevens gedekt werd gehouden ƒ 480.000,-- op een klavecimbel tijdens transport naar Parijs, het verblijf aldaar alsmede het retourtransport, in de periode 13 juni 1992 tot en met 19 juni 1992.

(v) Op 15 juni 1992 meldde [verweerder] schriftelijk aan [onderneming D] dat de klavecimbel was gestolen. [verweerder] heeft op 13 juli 1992 te dier zake aangifte bij de politie gedaan. Blijkens het proces-verbaal van aangifte heeft hij verklaard dat de klavecimbel in een afgesloten “tandemasser” achter een personenauto werd vervoerd naar Parijs en dat na het wegrijden van een parkeerplaats bij een wegrestaurant in de buurt van Breda was gebleken dat de klavecimbel uit de aanhangwagen was ontvreemd.

3.2 [Verweerder] heeft gevorderd dat Verzekeraars - ieder voor hun aandeel in de polis - hem ƒ 480.000,-- zullen betalen. De Rechtbank heeft die vordering toegewezen. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het Hof, verkort weergegeven, het volgende overwogen.

(a) De waarde van de klavecimbel is tussen partijen bepaald op ƒ 480.000,--. Het taxatierapport van [verweerder] heeft tussen partijen te gelden als een rapport als bedoeld in artikel 275 K. De omstandigheid dat het rapport is opgesteld door [verweerder] doet daaraan niet af, nu Verzekeraars hebben aanvaard dat verzekeringnemer/verzekerde als beëdigd deskundige het rapport zou opstellen. (rov. 4.2)

(b) De deskundigentaxatie vindt haar grondslag in een tussen partijen tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst. Aan de op grond van deze overeenkomst totstandgekomen vaststelling ter zake van zowel het bestaan als de waarde van de klavecimbel zijn partijen, gebonden. (rov. 4.3)

(c) Er is onvoldoende grond om aan te nemen dat [verweerder] te dezer zake bedrog heeft gepleegd. (rov. 4.4 tot en met 4.6)

(d) Met betrekking tot de gestelde diefstal onderschrijft het Hof de overwegingen van de Rechtbank: [verweerder] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van diefstal van de verzekerde klavecimbel. (rov. 4.7)

(e) Het beroep van Verzekeraars op art. 251 K. is terecht door de Rechtbank verworpen.

3.3 Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het Hof bij zijn in rov. 4.2 gegeven oordeel dat sprake is van een deskundigentaxatie in de zin van art. 275 K., onvoldoende heeft gerespondeerd op een aantal essentiële stellingen van Verzekeraars. Het onderdeel kan evenwel niet tot cassatie leiden, omdat het Hof kennelijk alle door Verzekeraars aangevoerde omstandigheden in zijn afweging heeft betrokken en aan de in zijn arrest vermelde omstandigheden te dezer zake een doorslaggevende betekenis heeft toegekend. In het bijzonder ligt in de overweging van het Hof dat het taxatierapport met instemming van Verzekeraars is opgesteld door [verweerder] als deskundige besloten dat het Hof Verzekeraars heeft beschouwd als opdrachtgevers tot de taxatie. Kennelijk heeft het Hof in de omstandigheid dat in de polis wordt gesproken van een maximumbedrag, geen belemmering gezien om te oordelen dat sprake is van een vaste taxatie.

3.4 Subonderdeel 2.1 strekt ten betoge dat een taxatie door een deskundige slechts dan kan gelden als een taxatie in de zin van art. 275 K. indien voldaan is aan het vereiste dat de deskundige/taxateur ten minste in dier voege onpartijdig en onafhankelijk is dat hij niet tevens zelf de verzekeringnemer en/of de (mede)verzekerde bij de desbetreffende overeenkomst is.

De in dit subonderdeel neergelegde opvatting kan in haar algemeenheid niet als juist worden aanvaard. Omdat een taxatie in de zin van art. 275 K alleen kan geschieden met instemming van beide partijen, kan de verzekeraar vooraf beoordelen of hij zodanig vertrouwen heeft in de persoon (en de bekwaamheid) van de aan te wijzen deskundige dat hij bereid is de aan diens taxatie verbonden gevolgen te aanvaarden, ook in gevallen waarin de deskundige niet geheel vrij staat met betrekking tot de verzekerde of enig eigen belang heeft bij het verzekerde voorwerp. Niet uitgesloten is dat ook in een dergelijk geval een deskundige naar het oordeel van de verzekeraar als taxateur voldoet aan de eisen die hem in verband met het bepaalde in art. 275 gesteld kunnen worden met betrekking tot een onafhankelijk en objectief oordeel omtrent de waarde van hetgeen aan zijn deskundig oordeel wordt onderworpen. Het moet de verzekeraar vrijstaan met benoeming van een zodanige deskundige in te stemmen. Hij kan zich dan vervolgens niet meer beroepen op een gebrek aan onafhankelijkheid of onpartijdigheid van deze door hem aanvaarde deskundige/taxateur.

Het subonderdeel is mitsdien tevergeefs voorgesteld. Daaruit volgt dat subonderdeel 2.2 dat uitgaat van de in subonderdeel 2.1 verdedigde opvatting, geen behandeling behoeft.

3.5 Subonderdeel 2.3 kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. In het arrest van het Hof valt immers niet te lezen dat het Hof bedoeld zou hebben toepassing te geven aan de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid.

3.6 Nu blijkens het vorenstaande niet kan worden aangenomen dat de door het Hof bedoelde vaststellingsovereenkomst in strijd is met enige bepaling van dwingend recht, faalt onderdeel 3 van het middel.

3.7 Onderdeel 4 heeft geen zelfstandige betekenis.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Verzekeraars in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 1.952,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, J.B. Fleers. O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 19 januari 2001.