Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9559

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-01-2001
Datum publicatie
26-09-2001
Zaaknummer
C99/070HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9559
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 44
NJ 2001, 159
JWB 2001/25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 januari 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/070HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P.J. Kreijger,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats], Bondsrepubliek Duitsland,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: voorheen mr. M.C. van Drempt,

thans mr. J.H.M. van Swaaij.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 9 september 1992 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover de wet zulks toelaat, [eiser] terzake in het lichaam van de inleidende dagvaarding vermeld te veroordelen om aan [verweerder] te voldoen:

1. het restant van de verkoopprijs, groot ƒ 35.000,--;

2. de verschuldigde wettelijke rente over ƒ 35.000,-- met ingang van 11 november 1986 tot aan

de dag der algehele voldoening;

3. de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten, groot ƒ 3.310,--.

[Eiser] heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 17 juni 1994 de vordering van [verweerder] afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij tussenarrest van 13 augustus 1996 heeft het Hof partijen tot bewijslevering toegelaten en iedere verdere beslissing aangehouden.

Na getuigenverhoor heeft het Hof bij eindarrest van 12 november 1998 het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [eiser] veroordeeld aan [verweerder] te voldoen het bedrag van ƒ 35.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 juli 1992 tot aan de dag der algehele voldoening en het meer of anders gevorderde afgewezen.

De twee voornoemde arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen zowel het tussenarrest als het eindarrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot vernietiging van de bestreden arresten van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch en tot verwijzing van de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar een ander gerechtshof.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda onder 1.

3.2 In het onderhavige geding heeft [verweerder] gevorderd dat [eiser] zal worden veroordeeld om aan hem een bedrag van ƒ 35.000,-- te betalen als restant van de koopsom die door [eiser], naar [verweerder] stelt, nog is verschuldigd ter zake van de in de conclusie vermelde koop van de in dit geding bedoelde auto. De Rechtbank heeft de vordering afgewezen op grond van haar oordeel dat het verweer van [eiser] dat de cessie van de vordering van [betrokkene B] op [eiser] niet is tot stand gekomen, doel trof. Het Hof heeft in zijn tussenarrest van 13 augustus 1996 de tegen dit oordeel van de Rechtbank gerichte grief gegrond geoordeeld en heeft de verweren van [eiser] die een beroep op dwaling, bedrog en wanprestatie inhielden, verworpen. Het Hof heeft voorts aan elk van partijen een bewijsopdracht gegeven. In zijn eindarrest van 12 november 1998 heeft het Hof de vordering van [verweerder] toegewezen.

3.3 In de onderdelen 1 en 2 wordt, voorzover hier van belang, aangevoerd dat de verwerping in rov. 4.15 van het tussenarrest van het Hof van 13 augustus 1996 van het door [eiser] gedane beroep op bedrog of dwaling, onjuist is. Het Hof overweegt, samengevat weergegeven, het volgende. Het beroep van [eiser] op ontbinding "omdat de auto van onwaarde is, of omdat [eiser] gedwaald zou hebben, dan wel bedrogen zou zijn, faalt evenzeer." [Eiser] is bezitter te goeder trouw van de auto die aan hem is teruggegeven na de aanvankelijke inbeslagname door de politie. Waarom de auto "van onwaarde is", zelfs voor eigen gebruik, is door [eiser] niet nader aangegeven.

3.4 Het Hof is in zijn onder 3.3 weergegeven oordeel ervan uitgegaan dat voor een geslaagd beroep op dwaling is vereist dat sprake is van nadeel aan de zijde van degene die zich op dwaling beroept. Aldus heeft het Hof miskend dat voor een beroep op de in art. 3:44 en 6:228 BW vermelde vernietigingsgronden niet is vereist dat degene die zich daarop beroept, door het aangaan van de overeenkomst onder invloed van het wilsgebrek, is benadeeld. Aldus heeft het Hof, door te oordelen als onder 3.3 is weergegeven, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De onderdelen 1 en 2 van het middel treffen derhalve doel. Dit brengt mee dat ook onderdeel 6, dat is gericht tegen rov. 7.4 van het eindarrest van het Hof, slaagt voorzover het inhoudt dat het beroep van [eiser] op bedrog en dwaling ten onrechte is verworpen.

3.5 Voor het overige kunnen de in het middel aangevoerde klachten niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de arresten van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 13 augustus 1996 en 12 november 1998;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op ƒ 1.080,65 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, C.H.M. Jansen, A.E.M. van der Putt-Lauwers en H.A.M. Aaftink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 19 januari 2001.