Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9492

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-01-2001
Datum publicatie
12-11-2001
Zaaknummer
00872/99
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9492
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 januari 2001

Strafkamer

nr. 00872/99

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van

4 november 1998 in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te

[woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 26 augustus 1997, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen, de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van “de voortge-zette handeling van opzettelijk deelnemen aan een vechterij waarin onderscheiden personen zijn gewikkeld, terwijl de vechterij iemands dood ten gevolge heeft en opzettelijk deelnemen aan een vechterij waarin onder-scheiden personen zijn gewikkeld, terwijl de vechterij alleen zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft” ver-oordeeld tot twee maanden gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voor-waarden als in het arrest omschreven, alsmede tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van éénhonderdveertig uren, in plaats van drie maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen in voege als in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A. van Waarden, advocaat te Haarlem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, ten eerste voor wat betreft de opgelegde straf en deze zal verminderen en ten tweede voor wat betreft de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de zaak in zoverre zal verwijzen naar het Hof te 's-Gravenhage teneinde te beslissen op de vordering van de benadeelde partij met inachtneming van dit arrest.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat het recht om binnen redelijke termijn te worden berecht in de fase vanaf het instellen van het beroep in cassatie is geschonden.

3.2. De verdachte, die niet in voorlopige hechtenis verkeert, heeft op 11 november 1998 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 6 september 1999 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. In aanmerking genomen:

(a) dat tussen het tijdstip waarop het cassatieberoep is

ingesteld en dat waarop de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen bijna tien maanden zijn verstreken, en

(b) dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een tijdsverloop van bijna 10 maanden zouden kunnen rechtvaardigen, moet worden geoordeeld dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.

Het middel is in zoverre dus terecht voorgesteld.

3.3. De gegrondheid van het middel in zoverre leidt tot het oordeel dat aan de verdachte een lagere straf behoort te worden opgelegd dan het Hof hem voordat sprake was van overschrijding van die termijn heeft opgelegd.

De Hoge Raad zal, rekening houdende met de aan de verdachte opgelegde straf als hiervoor onder 1 is vermeld en met de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, de straf verminderen als hieronder vermeld.

3.4. De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 10la RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. In het middel wordt met rechts- en motiveringsklachten opgekomen tegen het oordeel van het Hof dat het bewezenverklaarde feit -kort gezegd- deelneming aan een vechterij in de zin van art. 306 Sr oplevert. Daartoe wordt aangevoerd dat die deelneming pas strafbaar is als men feitelijk heeft opgetreden in de aanval of vechterij en op het slagveld als strijder of aanvaller doende is geweest. Betoogd wordt dat de verdachte, die zelf niet heeft gevochten, ook niet aanwezig is geweest op de plaats waar is gevochten en dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de plek waar de verdachte zich bevond tot het strijdperk behoorde.

4.2. Het Hof heeft het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit als volgt bewezenverklaard:

“dat hij op 23 maart 1997 in de gemeente Beverwijk opzettelijk heeft deelgenomen aan een vechterij waarin onderscheiden personen te weten aanhangers van de voetbalclubs Ajax enerzijds en Feijenoord anderzijds zijn gewikkeld, bestaande die vechterij uit het door die aanhangers van de voetbalclub Ajax enerzijds, en Feijenoord anderzijds waaronder (de Hoge Raad leest: onder wie) verdachte, gezamenlijk:

- al dan niet voorzien van een of meer als slagwapen, steekwapen of projectiel te hanteren (gedeelten van) voorwerpen van hout, metaal, glas, steen en/of kunststof- waaronder een of meer knuppels, balken, palen, messen, flessen, staven, kettingen, stenen, paraplu's, hamers en stuursloten - massaal toerennen op en/of dreigend opdringen naar en/of achtervolgen van elkaar en - gooien of smijten van - een of meer voormelde voorwerpen tegen en/of naar elkaar

en

- elkaar met een of meer van voormelde voorwerpen, met kracht slaan en/of steken en/of snijden op of in het hoofd en/of het lichaam en

- slaan en/of schoppen op/tegen en/of naar het hoofd en/of het lichaam van elkaar, welke vechterij

- de dood van [slachtoffer 1] en

- zwaar lichamelijk letsel, te weten kneuzingen en een klaplong van [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad”.

4.3.1. Het Hof heeft als bewijsmiddel de volgende door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring gebruikt:

"op 23 maart 1997 ben ik als Feijenoordsupporter met onder anderen [betrokkene C] en [betrokkene D] in de auto naar het brugrestaurant aan de A 4 gereden. We zouden naar de voetbalwedstrijd van AZ tegen Feijenoord te Alkmaar gaan. Vanaf het brugrestaurant zijn we in een stoet van auto's met daarin Feijenoordsupporters meegereden naar Beverwijk. Van tevoren ging het gerucht dat er een confrontatie zou plaatsvinden met Ajaxsupporters. In de kofferbak van onze auto lagen vier ijzeren staven van 80 cm lang en 1½ cm dik. Toen we na de tunnel op de rijksweg te Beverwijk uitstapten, nam ieder van ons zo'n staaf in handen, ik ook. Ik vroeg en kreeg een staaf. Ik schreeuwde en heb de boel lopen opfokken. Ik heb met de staaf op de vangrail geslagen en ben het weggetje opgelopen. Ik ging vanaf de rijksweg het land in de Ajaxsupporters tegemoet. Iedereen van ons deed dat. Ik liep met de groep Feijenoorders mee, had de staaf in mijn handen en schreeuwde. Er liepen Feijenoorders voor mij. Ik ben geweest waar de paden elkaar kruisen, daar waar een auto in brand stond. Toen de Feijenoorders terugkwamen, heb ik me omgedraaid en ben met hen teruggelopen. De vechtpartij was toen afgelopen”.

4.3.2. In de aanvulling op het verkorte arrest heeft het Hof onder meer als nadere bewijsoverweging opgenomen:

“Op 23 maart 1997 rijdt een stoet auto’s met Feijenoord-“supporters” in colonne over de Rijksweg A9. Gekomen ter hoogte van de “Zwarte Markt” te Beverwijk komt de stoet tot stilstand. De inzittenden stappen uit en klimmen over de vangrail. Zij schreeuwen en maken veel lawaai. De meesten hebben slagwapens bij zich. Het betreft ongeveer 200 personen. Aan de andere zijde van de weg komt vanaf de richting van de “Zwarte Markt” een groep van 100 à 150 personen, onmiskenbaar Ajax-“supporters”, richting snelweg gelopen. Ook in deze groep zijn de meesten van slagwapens voorzien.

Voor een ieder ter plaatse moet aan hetgeen valt te zien en te horen duidelijk zijn dat een hevig treffen tussen beide supportersgroepen op het punt staat plaats te grijpen, zulks overeenkomstig eerder rondgaande geruchten.

De Ajax-supporters lopen gegroepeerd en in linies. De Feijenoord-supporters organiseren zich voor een actie. Commando’s tot verzamelen en aanvallen worden gegeven. Vervolgens gaan zij eveneens gegroepeerd, compact en ook in linie de Ajax-supporters tegemoet. Het treffen tussen beide - ongeveer even grote - supportersgroepen vindt plaats op een beneden de snelweg naast de snelweg gelegen stuk land en weggetje. In feite vindt als het ware een primitieve veldslag tussen beide supportersgroepen plaats met het stuk land als afgebakend strijdtoneel.

De verdachte heeft zich in groepsverband naar dit strijdperk begeven. Daarmee heeft hij zich geschaard in de gelederen van een van de beide strijdende partijen. Door zijn aanwezigheid heeft hij deelgenomen aan het gevecht. Zijn aanwezigheid was immers van belang voor de getalsmatige sterkte en voor het moreel van zijn partij. Ook de achterste linies hebben betekenis voor het voorkomen van een doorbraak en het pareren van een aanval van de tegenpartij. De verdachte moet zich van zijn betrokkenheid bewust zijn geweest en deze hebben aanvaard”.

4.4.1. Art. 306 Sr, voorzover hier van belang, luidt als volgt:

"Zij die opzettelijk deelnemen aan een aanval of vechterij waarin onderscheiden personen zijn gewikkeld, worden, behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de bijzondere door hem bedreven feiten gestraft (...)”.

4.4.2. In de Memorie van Toelichting staat omtrent deze bepaling onder meer het volgende:

"Bij een aanval of eene vechterij waarin een groot aantal personen zijn betrokken, kunnen zeer ernstige verwondingen worden toegebragt zonder dat het mogelijk is met juistheid te bepalen, in welke mate ieder afzonderlijk strijder daaraan schuldig is. Hoe uitgebreider en verwoeder de aanval of vechterij wordt, hoe meer personen daaraan deelnemen, hoe meer slagtoffers er vallen, des te bezwaarlijker zal het in den regel zijn, een volledig bewijs te leveren omtrent het aandeel, dat ieder in dit bedrijf toekomt. Noodzakelijk is het mitsdien, het opzettelijk deelnemen aan dergelijk bedrijf als zoodanig te treffen met eene matige straf, zoodra iemand zwaar ligchamelijk letsel heeft geleden of van het leven is beroofd”.

(H.J. Smidt en J.W. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II, 2e druk H.D. Tjeenk Willink, Haarlem 1891, blz 481).

4.5. In het licht van de hiervoor onder 4.4.2 weergegeven passage uit de Memorie van Toelichting brengt een redelijke wetsuitleg mee dat sprake kan zijn van deelneming aan een vechterij in de zin van art. 306 Sr in het geval van een daadwerkelijke bijdrage aan de vechterij. Het oordeel van het Hof dat de verdachte een zodanige bijdrage heeft geleverd doordat hij zich in de door het Hof vastgestelde omstandigheden heeft geschaard in de gelederen van een van de strijdende partijen, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, mede gelet op de hiervoor onder 4.3.1 weergegeven verklaring van de verdachte, niet onbegrijpelijk.

4.6. Het middel faalt.

5. Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 10la RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Beoordeling van het vierde middel

6.1. Het middel richt zich in de eerste plaats tegen de verwerping door het Hof van het door de verdachte met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij gedane beroep op eigen schuld van het slachtoffer ([slachtoffer 1]) in de zin van art. 6:101 BW.

6.2.1. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft het Hof overwogen:

“De verdachte heeft deelgenomen aan een massale vechtpartij tussen Ajax- en Feijenoordsupporters ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] is overleden. De verdachte heeft daarmee een strafbaar feit gepleegd en bovendien een onrechtmatige daad begaan jegens [slachtoffer 1]. Deze is aan de gevolgen van het jegens hem gepleegde groepsgeweld, onder meer bestaande uit het bewezenverklaarde steken en slaan, overleden. Dit geweld kan aan bedoelde groep, waartoe de verdachte behoorde, worden toegerekend”.

6.2.2. Aldus heeft het Hof toepassing gegeven aan art. 6:166, eerste lid, BW. Deze wetsbepaling houdt in:

“Indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend”.

6.2.3. In het hiervoor onder 6.2.1 weergegeven oordeel van het Hof met betrekking tot de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte voor de schadelijke gevolgen van het groepsgeweld, ligt besloten dat naar ’s Hofs oordeel de verdachte wist of behoorde te begrijpen dat het groepsoptreden gevaar schiep voor het ontstaan van dodelijk letsel zoals aan [slachtoffer 1] is toegebracht.

6.3.1. Het door de verdachte gedane beroep op eigen schuld van het slachtoffer berust op art. 6:101, eerste lid, BW. Deze wetsbepaling houdt in:

“Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist”.

6.3.2. Het Hof heeft het beroep op eigen schuld van het slachtoffer verworpen met de volgende overweging:

“Weliswaar is door [slachtoffer 1] door zich in de massale vechtpartij te begeven letsel op de koop toe genomen, maar niet de dodelijke verwondingen”.

6.3.3. Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre eigen schuld van het slachtoffer in de zin van art. 6:101, eerste lid, BW leidt tot vermindering van een schadevergoedingsplicht als bedoeld in dat artikel, moet het volgende worden vooropgesteld.

Van de twee door de woorden “met dien verstande” gescheiden gedeelten van art. 6:101, eerste lid, BW, behelst het eerste gedeelte de zogeheten primaire maatstaf en het tweede gedeelte de zogeheten billijkheidscorrectie. (vgl. HR 2 juli 1995, NJ 1997, 702).

Toepassing van de primaire maatstaf houdt een causaliteitsafweging in die in dit geval daarop neerkomt dat moet worden beoordeeld in welke mate enerzijds het gedrag van [slachtoffer 1] en anderzijds het gedrag van de verdachte aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen.

Bij deze beoordeling komt het derhalve niet aan op de mate van verwijtbaarheid van een en ander. Beoordeling van de mate van verwijtbaarheid komt eerst aan de orde bij toepassing van de billijkheidscorrectie.

Door te overwegen zoals hiervoor onder 6.3.2 weergegeven, heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in de gedachtegang die het tot zijn beslissing heeft geleid.

Indien de overweging van het Hof aldus moet worden verstaan dat het Hof heeft geoordeeld dat de aan [slachtoffer 1] toe te rekenen omstandigheden niet tot de schade hebben bijgedragen omdat [slachtoffer 1] geen (voorwaardelijk) opzet had op zijn eigen overlijden, heeft het Hof bij het verrichten van de door de primaire maatstaf geboden causaliteitsafweging een verwijtbaarheidsoordeel in die afweging betrokken en aldus de in het eerste zinsdeel van art. 6:101, eerste lid, BW neergelegde maatstaf miskend.

Zo het Hof echter met de onder 6.3.2 weergegeven overweging toepassing heeft beoogd van de billijkheidscorrectie, omdat naar zijn oordeel een met de uitkomst van de causaliteitsafweging strokende verdeling van de schade zodanige correctie behoeft, dan is zijn redengeving ontoereikend, nu daarin van die verdeling geen melding wordt gemaakt en evenmin wordt aangegeven op welke grond het Hof haar uit een oogpunt van billijkheid onaanvaardbaar heeft geoordeeld.

6.4. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden uitspraak voor wat betreft de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij ontoereikend is gemotiveerd en dus niet in stand kan blijven. Dit betekent dat het middel in zoverre gegrond is en voor het overige geen bespreking behoeft.

7. Slotsom

Uit het hiervoor overwogene volgt dat, nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak - voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, als volgt dient te worden beslist.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, voor wat betreft de duur van de te verrichten onbetaalde arbeid ten algemenen nutte en de duur van de gevangenisstraf waarvoor deze in de plaats treedt.

Vermindert de duur van de onbetaalde arbeid ten algemenen nutte tot eenhonderd en zesentwintig uur;

Vermindert de duur van de gevangenisstraf waarvoor de onbetaalde arbeid in de plaats treedt zodanig dat deze twaalf weken beloopt;

Vernietigt de bestreden uitspraak voorts voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat opnieuw op deze vordering wordt beslist;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.M.M. Orie, A.M.J. van Buchem-Spapens en J.P. Balkema, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 16 januari 2001.

Mr. Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp is buiten staat dit arrest te ondertekenen.