Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9480

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-01-2001
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
02126/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9480
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 322
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 55
NJ 2001, 125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 januari 2001

Strafkamer

nr. 02126/00

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage

van 3 december 1999, parket-nummer(s) 22/002718-98, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland) op

[geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats], ten tijde van het instellen van

beroep in cassatie gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “Noordsingel” te

Rotterdam.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 26 november 1998, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte ter zake van 1. "poging tot doodslag", 2. "afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen", 4. "de voortgezette handeling van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer vere-nigde personen, meermalen gepleegd, en 5. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot meer dan één vuurwapen van categorie III” en “medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot zeven jaren gevan-genisstraf, met onttrekking aan het verkeer en bewaring ten behoeven van de rechthebbende zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1.1. In het middel wordt er onder meer over geklaagd dat de in de bewijsoverweging aangeduide videoband niet ter terechtzitting van 19 november 1999, alwaar het onderzoek opnieuw was aangevangen wegens gewijzigde samenstelling, opnieuw is afgespeeld.

4.1.2. Voor de beoordeling van de klacht moet worden vooropgesteld dat het rechterlijk college dat de zaak behandelt, verplicht is het onderzoek opnieuw aan te vangen wanneer bij de hervatting van het onderzoek de samenstelling van het college een andere is geworden. Ingevolge art. 350 Sv vinden de beraadslaging en beslissing plaats naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. Aan dit voorschrift kan uitsluitend worden voldaan indien de rechters die het vonnis wijzen, hebben deelgenomen aan het onderzoek ter terechtzitting op basis waarvan het vonnis wordt gewezen. Het opnieuw aanvangen van het onderzoek betekent een opnieuw behandelen van de zaak alsof het eerdere onderzoek ter terechtzitting niet heeft plaatsgehad. Hetgeen in dat eerdere onderzoek is geschied, verliest in beginsel betekenis voor het door de rechter te wijzen vonnis.

4.1.3. In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan.

(i) In hoger beroep heeft, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, de zaak gediend op de terechtzittingen van 23 juli 1999, 6 augustus 1999, 8 oktober 1999 en 19 november 1999.

(ii) Op de terechtzitting van 23 juli 1999 was het Hof samengesteld uit de mrs. Van Schellen, Ritter en Van Dijk. Het - op 1 juni 1999 geschorste - onderzoek is op die zitting opnieuw aangevangen in verband met de gewijzigde samenstelling van het Hof. Op die zitting is onder meer een videoband afgespeeld, waarop beelden zijn vastgelegd van het verloop van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Aan het slot van die zitting is meegedeeld dat het Hof bij tussenarrest van 6 augustus 1999 zal beslissen over ter zitting gedane verzoeken en dat de inhoudelijke behandeling van de zaak zal worden voortgezet op 19 november 1999.

(iii) Op de terechtzitting van 6 augustus 1999 is het tussenarrest uitgesproken. Het bevat de beslissingen van het Hof op gedane verzoeken, vermeldt dat de inhoudelijke behandeling van de zaak zal worden voortgezet op 19 november 1999 en voorts dat binnen een termijn van drie maanden tussentijds een pro-forma zitting zal worden gehouden.

(iv) Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 1999 houdt in dat het Hof is samengesteld uit de mrs. Van Schellen, Ritter en Aler. Het onderzoek is hervat in de stand waarin het zich op de terechtzitting van 23 juli 1999 dan wel 6 augustus 1999 bevond. Het onderzoek is daarop, zonder dat een inhoudelijke behandeling van de zaak had plaatsgevonden, geschorst tot de terechtzitting van 19 november 1999.

(v) Op de terechtzitting van 19 november 1999 zat het Hof in dezelfde samenstelling als op 23 juli 1999. Het Hof heeft het onderzoek opnieuw aangevangen omdat de samenstelling ten opzichte van de terechtzitting van 8 oktober 1999 was gewijzigd. Uit het proces-verbaal van de

terechtzitting kan niet blijken dat de videoband opnieuw is afgespeeld.

(vi) De bestreden uitspraak is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 23 juli 1999 en 19 november 1999.

Opmerking verdient dat nu op 8 oktober 1999 geen behandeling van de zaak zelf heeft plaatsgevonden het Hof, in dezelfde samenstelling als op 23 juli 1999, niet gehouden was het onderzoek op 19 november 1999 opnieuw aan te vangen.

4.1.4. Uit het hiervoor onder 4.1.3 overwogene vloeit voort dat het Hof, nu het onderzoek ter terechtzitting van 19 november 1999 wegens een gewijzigde samenstelling van het Hof opnieuw was aangevangen, bij zijn beraadslaging en beslissing ten onrechte mede acht heeft geslagen op het verhandelde ter terechtzitting van 23 juli 1999. Hoewel de klacht zich daartegen terecht richt, leidt het echter in dit geval niet tot cassatie, in aanmerking genomen dat

a) de samenstelling van het Hof op de terechtzittingen naar aanleiding waarvan is beraadslaagd en beslist, identiek was, zodat in zoverre geen inbreuk is gemaakt op de hiervoor onder 4.1.2 weergegeven regel dat dient te worden beraadslaagd en beslist door de rechters die hebben deelgenomen aan het onderzoek ter terechtzitting op basis waarvan het arrest is gewezen en

b) het middel niet inhoudt dat en waarom de verdachte niettemin in enig belang is getroffen.

4.2.1. Het middel behelst voorts de klachten dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt van de vitrine, noch van de inhoud van een videoband, naar welke het Hof in zijn aanvullende bewijsoverweging verwijst.

4.2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 23 juli 1999 houdt in dat aldaar de in de bewijsoverweging aangeduide videoregistratie is afgespeeld en dat daar door de verdachte over die vitrine is verklaard. In de bewijsoverweging van het Hof ligt besloten dat het Hof deze voor wat betreft de vitrine en voor wat betreft hetgeen op de videoband was geregistreerd heeft gegrond op hetgeen het Hof zelf heeft waargenomen tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 23 juli 1999.

Voorzover in het middel wordt betoogd dat de desbetreffende feiten in de vorm van afzonderlijke bewijsmiddelen zoals die, gebruikelijk voorafgaand aan de bewezenverklaring moeten worden weergegeven, stelt het een eis die het recht niet kent. De klachten falen.

4.3. De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden terwijl de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren

G.J.M. Corstens en A.M.M. Orie, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 9 januari 2001.