Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9439

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-01-2001
Datum publicatie
27-02-2002
Zaaknummer
C99/003HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9439
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 92
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 134
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 17
RvdW 2001, 26
NJ 2002, 34 met annotatie van H.J. Snijders
JWB 2001/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 januari 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/003HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

VEZO BEHEER B.V., tengevolge van een fusie thans onderdeel van UNIGRO BEHEER B.V., gevestigd te Houten,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.W.L. Russell.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: Vezo - heeft bij exploit van 8 april 1997 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Hoorn en - na aanvulling van eis - primair gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Vezo te machtigen om Alog Onroerend Goed en Handelmaatschappij B.V., gevestigd te Zaandam, in haar plaats te stellen als huurder van de bedrijfsruimte, zijnde een supermarkt gelegen aan de [a-straat] nr. [1] te [vestigingsplaats], en subsidiair, voor zover het bovenstaande niet toewijsbaar zou zijn, [eiseres] te veroordelen om mede te werken aan onder- of wederverhuur van de betreffende bedrijfsruimte door Vezo aan Alog Onroerend Goed en Handelmaatschappij B.V., zulks onder oplegging van een dwangsom van ƒ 1.500,-- per dag.

[Eiseres] heeft de vordering bestreden, een eis in reconventie ingesteld, en - kort gezegd - gevorderd de tussen partijen gesloten huurovereenkomst bij akte van 3 april 1968, althans bij akte van 30 januari 1981, met betrekking tot voormelde bedrijfsruimte te ontbinden primair met ingang van 22 april 1997, subsidiair per 1 februari 1998, en Vezo te veroordelen tot ontruiming van de litigieuze bedrijfsruimte.

Vezo heeft in reconventie de vordering van [eiseres] bestreden.

De Kantonrechter heeft bij vonnis van 16 juni 1997 in reconventie de vorderingen van [eiseres] afgewezen en de huurovereenkomst verlengd tot 1 februari 2003. In conventie heeft de Kantonrechter de primaire vordering van Vezo toegewezen.

Tegen dit in conventie en in reconventie tussen partijen gewezen vonnis heeft [eiseres] bij appeldagvaarding van 12 september 1997 hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Alkmaar. Blijkens deze dagvaarding is 25 september 1997 als eerst dienende dag aangezegd en de zaak is niet ter rolle ingeschreven. Op 23 september 1997 is een tweede, vrijwel gelijkluidende, dagvaarding uitgebracht, onder handhaving van de eerste dagvaarding, thans tegen de terechtzitting van 30 oktober 1997. De tweede dagvaarding is wel ter rolle ingeschreven.

Bij vonnis van 17 september 1998 heeft de Rechtbank [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Vezo heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van het vonnis van de Rechtbank te Alkmaar van 17 september 1998 en tot verwijzing naar die Rechtbank ter verdere behandeling.

De advocaat van Vezo heeft bij brief van 9 juni 2000 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

Tussen partijen bestaan geschillen betreffende de huur door Vezo Beheer van een bedrijfsruimte. Partijen zijn overeengekomen de tussen hen gerezen geschillen op de voet van art. 43 RO aan de Kantonrechter te Hoorn voor te leggen. Partijen hebben zich daarbij het recht van hoger beroep voorbehouden.

Vezo Beheer heeft gevorderd dat Alog Onroerend Goed en Handelmaatschappij B.V. als huurster in de plaats zal worden gesteld van Vezo Beheer. [Eiseres] heeft in reconventie ontbinding van de huurovereenkomst gevorderd. De Kantonrechter heeft de vordering van [eiseres] afgewezen en die van Vezo Beheer toegewezen.

[Eiseres] heeft twee appeldagvaardingen uitgebracht, te weten op 12 en 23 september 1997. De eerste dagvaarding is binnen de termijn voor hoger beroep uitgebracht, de tweede na het verstrijken daarvan. Bij de eerste dagvaarding is 25 september 1997 als de eerste dienende dag aangewezen. De zaak is op deze dag niet ter rolle van de Rechtbank ingeschreven. Bij de dagvaarding van 23 september 1997, die vrijwel gelijkluidend is aan die van 12 september 1997, is 30 oktober 1997 als de eerste dienende dag aangewezen. Op laatstgenoemde dag is de zaak wel ter rolle van de Rechtbank ingeschreven.

3.2 De Rechtbank heeft vastgesteld dat [eiseres], ofschoon uitdrukkelijk daarnaar gevraagd, geen verklaring ervoor heeft gegeven waarom de zaak niet ter rolle van 25 september 1997 is ingeschreven. De Rechtbank heeft voorts overwogen dat de eerste - tijdig uitgebrachte - dagvaarding niet ter rolle is ingeschreven en dat de tweede dagvaarding niet is uitgebracht om een processueel verzuim te herstellen, nu het tweede exploit is uitgebracht voordat het verzuim - te weten het niet inschrijven van de zaak ter rolle van 25 september 1997 - zich had geopenbaard. Gelet op deze omstandigheden en gegeven dat het tweede exploit van dagvaarding is uitgebracht na het verstrijken van de appeltermijn is er, aldus de Rechtbank, geen aanleiding een uitzondering te maken op het uitgangspunt dat niet-tijdige inschrijving ter rolle in beginsel leidt tot niet-ontvankelijkheid van de vordering of het rechtsmiddel, waarop de dagvaarding betrekking heeft. Op deze gronden heeft de Rechtbank [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.

Hiertegen keert zich het middel.

3.3 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat een dagvaarding ertoe strekt de wederpartij op te roepen tegen een bepaalde rechtsdag. Het staat de partij die de dagvaarding heeft doen uitbrengen in beginsel niet vrij deze rechtsdag voor het verschijnen ervan te wijzigen. De uitzonderingen die op dit beginsel zijn toegelaten, zoals die vermeld in art. 92 Rv., betreffen uitsluitend gevallen waarin processuele fouten of verzuimen bij exploit worden hersteld. Indien de hiervoor bedoelde partij wijziging wenst te brengen in de in de dagvaarding geformuleerde eis dient hij de weg te volgen van art. 134 Rv.

Voorts moet tot uitgangspunt worden genomen, zoals de Rechtbank ook heeft gedaan, dat niet-tijdige in- schrijving ter rolle in beginsel leidt tot niet-ontvankelijkheid van de vordering of het rechtsmiddel, waarop de dagvaarding betrekking had (HR 17 december 1982, nr. 12015, NJ 1984, 59, en 17 september 1993, nr. 15086, NJ 1993, 741).

3.4 Het exploit van 23 september 1997 strekt, naar volgt uit hetgeen de Rechtbank heeft vastgesteld, niet tot herstel van een processueel gebrek in de dagvaarding of tot herstel van het niet inschrijven ter rolle. In het licht van deze omstandigheden is niet onbegrijpelijk het oordeel van de Rechtbank dat het exploit van 23 september 1997 moet worden beschouwd als een op zichzelf staande appeldagvaarding. Ook de omstandigheid dat in dit exploit het niet gewijzigde deel van het exploit van 12 september 1997 werd gehandhaafd, doet dit niet onbegrijpelijk zijn.

Ervan uitgaande dat in deze zaak twee op zichzelf staande appeldagvaardingen zijn uitgebracht, heeft de Rechtbank, gelet op de hiervoor onder 3.3 vermelde uitgangspunten, met juistheid geoordeeld dat het niet inschrijven ter rolle van de dagvaarding van 12 september 1997 leidt tot niet-ontvankelijkheid van het bij deze dagvaarding ingestelde hoger beroep en dat het met de dagvaarding van 23 september 1997 ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat deze dagvaarding is uitgebracht na het verstrijken van de termijn voor hoger beroep.

Op dit een en ander stuiten alle in het middel vervatte klachten af.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Vezo Beheer begroot op ƒ 597,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren P. Neleman, C.H.M. Jansen, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 12 januari 2001.