Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9434

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-01-2001
Datum publicatie
19-09-2001
Zaaknummer
C99/125HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9434
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 26
NJ 2001, 253 met annotatie van prof. mr. P.A. Stein
RvdW 2001, 31
VR 2001, 135
JWB 2001/19
JAR 2001/24 met annotatie van Mr. dr. M.S.A. Vegter
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 januari 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/125HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 9 december 1996 - voor zover in cassatie nog van belang - eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Groenlo en gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eiseres] te veroordelen om aan [verweerder] op grond van de in het lichaam van de dagvaarding omschreven gronden te voldoen de door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen als volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 1995, althans vanaf 2 mei 1996 tot aan de dag der algehele voldoening.

[Eiseres] heeft de vordering gemotiveerd bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 25 augustus 1997 [verweerder] bewijslevering opgedragen en iedere verdere beslissing aangehouden.

Tegen dit tussenvonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Zutphen.

Bij vonnis van 10 december 1998 heeft de Rechtbank het vonnis van de Kantonrechter, voor zover in hoger beroep aan haar oordeel onderworpen, bekrachtigd en de zaak ter verdere afdoening verwezen naar de Kantonrechter te Groenlo.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerder] is in oktober 1992 in dienst getreden bij [eiseres].

(ii) In augustus 1995 was [verweerder] tezamen met een collega door [eiseres] uitgeleend aan de in [vestigingsplaats] gevestigde onderneming [A] B.V. [..], zulks ten behoeve van het verrichten van montagewerkzaamheden aan de Amsterdam Arena. [A B.V.] heeft ten behoeve van het vervoer Didam-Amsterdam een bestelbusje ter beschikking gesteld. Het busje werd bij toerbeurt door [verweerder], de collega, alsmede twee werknemers van [A B.V.] bestuurd.

(iii) Op 23 augustus 1995 bestuurde [verweerder] het busje op de terugweg naar Didam. Op een gegeven moment is het busje met de linkerwielen naast de linkerrijstrook in de middenberm terechtgekomen en na een stuurcorrectie door [verweerder] in een slip geraakt en diverse malen over de kop geslagen. De vier inzittenden raakten gewond. [Verweerder] heeft ten gevolge van het ongeval ernstig rugletsel opgelopen.

(iv) [Verweerder] heeft als bestuurder van het busje en veroorzaker van het ongeval zijn ongevalsschade - in tegenstelling tot de mede-inzittenden - niet onder verband van de W.A.-verzekering van het busje kunnen claimen. [A B.V.] had een collectieve ongevallenverzekering afgesloten, uit hoofde waarvan aan [verweerder] een bedrag van ƒ 5.685,-- is uitgekeerd. Voorts heeft [verweerder] een uitkering van ƒ 15.000,-- ontvangen op basis van een ongevallenverzekering van de leasemaatschappij van het busje.

(v) Het dienstverband tussen [verweerder] en [eiseres] is beëindigd. [verweerder] werkt sedert 1 januari 1997 in Duitsland. Hij ondervindt nog altijd hinder van de gevolgen van het ongeval.

3.2 [Verweerder] heeft - voorzover hier relevant - [eiseres] aansprakelijk gesteld, primair op de grond dat zij niet (in voldoende mate) voldaan zou hebben aan de op haar rustende zorgplicht van art. 7A:1638x (oud) BW respectievelijk art. 7:658 BW, en subsidiair aangezien het zou stroken met het stelsel van het arbeidsrecht en in verband daarmee naar de aard van de arbeidsovereenkomst zou voortvloeien uit de eisen van redelijkheid en billijkheid dat zij de schade van [verweerder] zou dragen.

De Kantonrechter heeft in zijn vonnis van 25 augustus 1997 - onder voorbehoud van door [verweerder] te leveren bewijs van restschade - [eiseres] aansprakelijk geoordeeld op basis van de primaire vorderingsgrondslag (art. 7A:1638x (oud) BW).

3.3 [Eiseres] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. De Rechtbank oordeelde in haar vonnis van 10 december 1998 dat [eiseres] geen belang had bij behandeling van de grieven, aangezien de vordering van [verweerder] naar haar oordeel op de subsidiaire grondslag slaagt (rov. 5.1). De Rechtbank heeft in rov. 5.2 in combinatie met rov. 3 de volgens haar in dezen relevante omstandigheden vermeld:

(I) de werknemer, [verweerder], was in de uitoefening van zijn werkzaamheden verplicht zich (dagelijks) per auto van Didam naar Amsterdam en terug te begeven;

(II) hij was daarbij verplicht bij toerbeurt te chaufferen;

(III) de financiële gevolgen van een eventueel ongeval waren voor alle inzittenden van het busje door een WA-verzekering gedekt, behalve voor [verweerder] als de chaufferende werknemer;

(IV) er was geen sprake van opzet dan wel bewuste roekeloosheid aan de zijde van [verweerder] bij het ontstaan van het ongeval;

(V) het "ervaringsfeit" dat de dagelijkse omgang met auto’s de gebruiker daarvan licht ertoe zal brengen niet steeds alle voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongevallen geraden is.

Onder deze omstandigheden oordeelde de Rechtbank het onaanvaardbaar dat [verweerder] vanwege de omstandigheid dat hij toevallig ten tijde van het ongeval het busje bestuurde als enige inzittende van vergoeding van schade verstoken zou blijven.

3.4 Het middel, dat bestaat uit 5 onderdelen, klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat [eiseres], ongeacht de vraag of zij de op haar rustende zorgplicht van art. 7:658 BW heeft geschonden, aansprakelijk is voor de schade van [verweerder].

3.5 Met onderdeel a klaagt [eiseres] dat de Rechtbank heeft miskend dat voor letsel- en zaakschade, aan werknemers overkomen door een ongeval gedurende hun werktijd, geen risico-aansprakelijkheid van de werkgever bestaat. De klacht kan wegens gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden nu de Rechtbank, oordelende dat [eiseres] onder de omstandigheden waaronder de schade is ingetreden voor de schade van [verweerder] aansprakelijk is, zulks niet heeft miskend.

3.6 Met onderdeel b klaagt [eiseres] dat het onverenigbaar is met de slechts op een tekortkoming in de zorgplicht gebaseerde aansprakelijkheid van art. 7A:1638x (oud) BW respectievelijk art. 7:658 BW om de werkgever ook zonder zo’n tekortkoming voor dergelijke ongevalsschade van zijn werknemers aansprakelijk te houden, louter op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid en/of de verplichtingen voortvloeiend uit goed werkgeverschap. De klacht faalt omdat een werkgever onder omstandigheden jegens zijn werknemer aansprakelijk kan zijn voor diens schade, ook al is aan de vereisten van art. 7A:1638x (oud) BW respectievelijk art. 7:658 niet voldaan (HR 16 oktober 1992, nr. 14721, NJ 1993, 264 en HR 22 januari 1999, nr. 16700, NJ 1999, 534).

3.7 De klachten c en d keren zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat de werkgever in het onderhavige geval aansprakelijk is.

De Rechtbank heeft verwezen naar voormeld arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 1992, waarin werd beslist dat de werkgever in beginsel aansprakelijk is voor schade aan de door de werknemer in het kader van de dienstbetrekking gebruikte eigen auto, en heeft vervolgens bij wijze van analogie, gelet op de omstandigheden waaronder de onderhavige schade is ingetreden, [eiseres] aansprakelijk geacht voor de niet door een verzekering gedekte, door [verweerder] ten gevolge van het ongeval geleden schade. De door de Rechtbank in dezen relevant geachte omstandigheden zijn hiervoor in 3.3, onder I tot en met V, vermeld. Dit oordeel van de Rechtbank geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting; verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard kan het voor het overige niet op juistheid worden getoetst. Het is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van hetgeen [eiseres] in haar grieven heeft gesteld omtrent de toedracht van het ongeval en het ontbreken van een rechtsplicht voor [eiseres] om een "schadeverzekering inzittenden" ten behoeve van haar werknemers te sluiten. De klachten falen.

3.8 Bij onderdeel e, inhoudende dat de Rechtbank heeft miskend dat [verweerder] in elk geval een belangrijk deel van zijn schade wèl vergoed heeft gekregen en het nog onzeker is of hij betekenisvolle restschade heeft geleden dan wel nog zal lijden, heeft [verweerder] geen belang nu de Rechtbank het vonnis van de Kantonrechter heeft bekrachtigd en [verweerder] derhalve nog het bewijs van zijn restschade zal moeten leveren. Deze klacht slaagt derhalve evenmin.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 3.625,-- in totaal, waarvan ƒ 3.506,25 op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de Griffier, en ƒ 118,75 te voldoen aan [verweerder].

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 12 januari 2001.