Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9432

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-01-2001
Datum publicatie
19-09-2001
Zaaknummer
C99/120HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9432
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 24
JWB 2001/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 januari 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/120HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M.H. van der Woude,

t e g e n

[Verweerder], handelende onder de naam [..] Bar & Grill, wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. T. Cohen Jehoram.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 15 december 1995 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Rotterdam en daarbij een aantal vorderingen ingesteld, verband houdende met een in juli 1993 tussen partijen gesloten exploitatieovereenkomst met betrekking tot (een gedeelte van) de [..]haven [..] aan de [..] te [vestigingsplaats], zoals nader in dat exploit omschreven.

[Verweerder] heeft deze vorderingen bestreden en heeft zijnerzijds in reconventie vorderingen ingesteld. De aldus ingestelde vorderingen kwamen, na nog een wijziging van eis, hierop neer dat [eiseres] bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zou worden veroordeeld:

om aan [verweerder] te vergoeden alle door [verweerder] geleden en nog te lijden schade,

welke schade nader zal worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 november 1995, althans de dag der dagvaarding;

om de tot dusver overeengekomen huurprijs van 5% van de omzet te accepteren totdat een

wijziging in redelijk overleg is overeengekomen, althans dat [eiseres] wordt veroordeeld tot acceptatie van een door de Kantonrechter te bepalen prijs tot 1 juli 2003, althans tot het tijdstip dat exploitatie voor [verweerder] financieel onmogelijk wordt, gelet op de gevolgen van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 januari 1996 en de binnenkort te nemen besluiten van de Deelgemeente [..] en andere instanties.

Bij akte ter rolzitting van 23 augustus 1996 heeft [verweerder], wat de in cassatie nog uitsluitend van belang zijnde reconventie betreft, zijn eis vermeerderd door bovendien nog te vorderen:

[eiseres] te veroordelen zijn onderhoudsverplichting op grond van de wet en overeenkomst strikt na te komen middels structurele onderhoudswerkzaamheden onder andere aan de steigers, zodat de gevaarlijke situatie wordt beëindigd en de jachthavenvereniging haar activiteiten weer kan opstarten, zulks binnen een termijn van maximaal 2 weken na dagtekening van het vonnis in de onderhavige procedure en op straffe van een dwangsom van ƒ 1.000,-- voor iedere dag dat [eiseres] hiermede in gebreke is.

[Eiseres] heeft de eerder vermelde vorderingen van [verweerder] bestreden.

Na een tussenvonnis van 25 oktober 1996 en een dienvolgens gehouden comparitie van partijen heeft [verweerder] zijn eis andermaal vermeerderd, thans met een vordering, hiertoe strekkende:

- dat een door [eiseres] op 7 december 1995 gelegd conservatoir beslag wordt opgeheven dan wel dat [eiseres] binnen 24 uur na betekening van het vonnis dit beslag ongedaan maakt, zulks op straffe van een dwangsom van ƒ 1.000,-- per dag.

De Kantonrechter heeft bij een volgend tussenvonnis van 18 april 1997, wat de reconventie betreft, [verweerder] tot bewijslevering toegelaten en iedere verdere beslissing aangehouden.

Tegen dit tussenvonnis heeft [verweerder], uitsluitend in de reconventie, hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Rotterdam.

Bij vonnis van 17 december 1998 heeft de Rechtbank het bestreden vonnis van de Kantonrechter, voorzover in reconventie gewezen, vernietigd en de zaak voor voortprocederen naar de Kantonrechter te Rotterdam verwezen.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis voorzover het de door onderdeel 1 bestreden beslissing betreft, en tot verwijzing van de zaak ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het middel is gericht tegen rov. 5.10 van het bestreden vonnis. Daarin heeft de Rechtbank als onbetwist vaststaand aangenomen dat in juli 1993, toen partijen de onderhavige overeenkomst sloten, [eiseres] ervan op de hoogte was dat aan de exploitatiemogelijkheden van de horecagelegenheid beperkingen waren verbonden, en heeft zij voorts overwogen dat dit een omstandigheid betreft die voor [verweerder], naar [eiseres] ook heeft begrepen, een zodanig belang had, dat kennis daarvan noodzakelijk was om zich een juiste voorstelling te maken van de reikwijdte van de overeenkomst. Hieraan heeft zij tenslotte de conclusie verbonden dat dienaangaande op [eiseres] jegens [verweerder] een mededelingsplicht rustte, tenzij [verweerder] van voormelde omstandigheid op de hoogte was. Met betrekking tot dit laatste heeft de Rechtbank, nog steeds in rov. 5.10, overwogen:

“Uit de eigen stellingen van [eiseres] valt niet af te leiden dat [verweerder] eerder dan in november 1993 van die omstandigheid kennis had (...) zodat in zoverre als vaststaand moet worden aangenomen dat [eiseres] de op hem rustende mededelingsplicht destijds niet is nagekomen ten aanzien van de in juli 1993 door partijen mondeling gesloten overeenkomst.”.

3.2 Sub-onderdeel Ia, waarin wordt geklaagd dat de hiervoor in 3.1 geciteerde overweging onbegrijpelijk is omdat [eiseres] steeds heeft gesteld dat zij [verweerder] bij het aangaan van de overeenkomst in juli 1993 had geïnformeerd over de beperkingen die aan de exploitatiemogelijkheden waren verbonden en dat [verweerder] daarvan toen ook wist, is terecht voorgesteld. In de punten 10 tot en met 12 van de memorie van antwoord in hoger beroep werd de bewering van [verweerder] dat [eiseres] hem over de beperkte exploitatie volstrekt onjuist had geïnformeerd uitdrukkelijk bestreden, werd bovendien nog gesteld dat [eiseres], voorafgaande aan het sluiten van de overeenkomst in juli 1993, [verweerder] had geïnformeerd omtrent geschillen met omwonenden over de omvang van de exploitatie en werd tenslotte nog uitdrukkelijk gesteld dat [verweerder] ten tijde van het sluiten van die overeenkomst op de hoogte was van de hier bedoelde exploitatiebeperkingen, welk een en ander gepaard ging met verwijzingen naar brieven waardoor het aldus gestelde zou worden bevestigd.

3.3 Na het vorenstaande behoeft sub-onderdeel Ib geen behandeling meer.

3.4 Onderdeel II gaat in al zijn sub-onderdelen ervan uit dat de Rechtbank, in afwijking van de door [verweerder] aan zijn vordering tot schadevergoeding ten grondslag gelegde tekortkoming in de nakoming van een verbintenis uit de overeenkomst, haar oordeel heeft gebaseerd op schending door [eiseres] van een precontractuele verplichting, derhalve op een door [eiseres] tegenover [verweerder] gepleegde onrechtmatige daad. Het bestreden vonnis biedt echter geen enkel aanknopingspunt voor de veronderstelling dat hier de Rechtbank, anders dan de Kantonrechter, op laatstbedoelde grondslag recht heeft gedaan. Derhalve faalt dit onderdeel in zijn geheel.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 17 december 1998;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op ƒ 721,45 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, J.B. Fleers en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 12 januari 2001.