Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9392

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35683
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 11
Algemene wet inzake rijksbelastingen 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2001/360
FED 2001/68
BNB 2001/93
WFR 2001/61
V-N 2001/6.7 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 35683

10 januari 2001

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (Spanje) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 27 september 1999, nr. 96/00492, betreffende de hem over het jaar 1989 opgelegde aanslag inkomstenbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 3.855.618,--

Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de bestreden uitspraak bevestigd.

De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende in begin februari 1991 het aangiftebiljet inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen voor het onderwerpelijke jaar (1989) heeft ingediend en daarbij onder het hoofd “Algemene toelichting” zijn nieuwe adres in Spanje met ingang van 1 juli 1990 heeft vermeld met de vermelding van het adres van een in Nederland gevestigd accountantskantoor als “Fiscaal correspondentieadres”, dat de Inspecteur op 4 oktober 1993 dit kantoor een vragenformulier heeft toegezonden, welk formulier door dit kantoor is doorgezonden naar belanghebbende in Spanje, dat de onderhavige aanslag, gelet op het bepaalde in artikel 11, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) uiterlijk op 30 november 1993 diende te worden vastgesteld, dat het aanslagbiljet met dagtekening 30 november 1993 op 29 november 1993 is verzonden naar voormeld accountantskantoor en dat dit kantoor bij brief van 2 december 1993 de enveloppe met het aanslagbiljet ongeopend heeft teruggezonden naar de Inspecteur en deze heeft verzocht correspondentie rechtstreeks aan het adres van belanghebbende in Spanje te richten.

3.2 Het Hof heeft geoordeeld dat gelet op de omstandigheid dat de Inspecteur eerst bij brief van 2 december 1993 is verzocht correspondentie rechtstreeks aan het adres van belanghebbende in Spanje te richten, de eerste adressering van het aanslagbiljet aan het adres van voormeld accountantskantoor voldoet aan de eisen die daaraan redelijkerwijs kunnen worden gesteld, en dat de onderhavige aanslag binnen de in artikel 11, lid 3, van de AWR bedoelde termijn is vastgesteld.

3.3. Het middel bestrijdt dit oordeel met het betoog dat de Inspecteur al sedert 1991 op de hoogte was van het juiste adres van belanghebbende in Spanje, dat artikel 58 AWR weliswaar bepaalt dat, indien een aangiftebiljet of enig ander stuk moet worden uitgereikt aan een belastingplichtige zonder vaste woonplaats of vestigingsplaats binnen het Rijk, die uitreiking ook kan geschieden aan de woning of het kantoor van zijn binnen het Rijk wonende of gevestigde vertegenwoordiger, doch dat de vermelding van een correspondentieadres niet mag worden gelijkgesteld met het aanstellen van een vertegenwoordiger.

Dit betoog faalt. Het Hof is kennelijk en terecht ervan uitgegaan dat het aanslagbiljet kon worden verzonden naar het door belanghebbende opgegeven “fiscaal correspondentie-adres”, zolang belanghebbende niet te kennen had gegeven dat hij de voor hem bestemde stukken in het vervolg rechtstreeks wenste te ontvangen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is op 10 januari 2001 vastgesteld door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren D.H. Beukenhorst en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en op die datum in het openbaar uitgsproken.