Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9371

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-01-2001
Datum publicatie
12-11-2001
Zaaknummer
00319/99 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 januari 2001

Strafkamer

nr. 00319/99 H

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de

Kantonrechter te Breda van 29 mei 1998, ingediend door:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1960, wonende

te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Kantonrechter heeft de aanvrager ter zake van "als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden", gepleegd op 5 juni 1997, veroordeeld tot een geldboete van fl. 660,--, subsidiair 13 dagen hechtenis.

2. De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. De conclusie van de Advocaat-Generaal

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de herzieningsaanvraag zal afwijzen.

4. Beoordeling van de aanvraag

4.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

4.2.1. In de aanvraag wordt gesteld dat op 5 juni 1997 voor het in de tenlastelegging bedoelde motorrijtuig, merk Renault en voorzien van het kenteken [AA-00-AA], een verzekering van kracht was welke voldeed aan de op die datum door of krachtens de Wet aansprakelijkheids- verzekering motorrijtuigen (WAM) gestelde eisen.

4.2.2. Ter ondersteuning van die stelling is bij de herzieningsaanvraag overgelegd een fotokopie van een verklaring als bedoeld in art. 34, tweede lid, WAM. Deze verklaring is op 28 november 1997 afgegeven door Nationale-Nederlanden Schadeverzekeringsmaatschappij N.V. Zij houdt als mededeling van genoemde verzekerings- maatschappij in:

"dat op 05 juni 1997 voor het motorrijtuig Renault voorzien van het kenteken [AA-00-AA] een verzekering van kracht was welke voldeed aan de op die datum door of krachtens de WAM gestelde eisen.

Het polisnummer is: [..]".

4.3. Naar aanleiding van de herzieningsaanvraag heeft de Advocaat-Generaal nadere berichten ingewonnen. Daartoe behoren:

a. een schrijven van voornoemde verzekeringsmaatschappij van 20 maart 2000, inhoudende:

"Naar aanleiding van uw brief geven wij u onderstaande de periodes dat het kenteken [AA-00-AA] bij ons verzekerd is geweest.

10 juni 1997 tot 17 juli 1997

polisnummer [..];

19 juli 1997 tot 7 november 1997

polisnummer [..]".

b. een schrijven van voornoemde verzekeringsmaatschappij van 17 april 2000, inhoudende als mededeling:

"dat op 5 juni 1997 voor het motorrijtuig, gekentekend [AA-00-AA] (...) geen dekking aanwezig was".

4.4. Het door de aanvrager gestelde, te weten dat uit een verklaring als bedoeld in art. 34 WAM van zijn verzekeringsmaatschappij blijkt dat op 5 juni 1997 voor het in de tenlastelegging bedoelde motorrijtuig een verzekering in de zin van de WAM van kracht was, kan op grond van de nadien door diezelfde verzekeringsmaatschappij verstrekte, hiervoor onder 4.3 weergegeven inlichtingen niet het onder 4.1 bedoelde ernstig vermoeden wekken. Het aangevoerde kan derhalve niet worden aangemerkt als een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv.

4.5. De aanvraag is dus ongegrond en moet ingevolge art. 468 Sv worden afgewezen.

5. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.M.M. Orie en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 9 januari 2001.