Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9313

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-01-2001
Datum publicatie
18-09-2001
Zaaknummer
C99/122HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9313
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 10
NJ 2001, 80
RvdW 2001, 22
JWB 2001/7
JOR 2001/21 met annotatie van Gerard van Solinge
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 januari 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/122HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiseres 1], gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [Eiser 2], wonende te [woonplaats],

3. [Eiseres 3], wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. M.J. Schenck,

t e g e n

1. OGM PUNTA ARGENTARA B.V., (destijds) gevestigd te Zeist,

2. AMVEST WINKELCENTRA-M B.V., als rechtsopvolgster onder algemene titel van OGM Punta Argentara B.V., gevestigd te Zeist en kantoorhoudende te Amsterdam,

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. M.H. van der Woude.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie sub 1 - verder te noemen: Punta Argentara - heeft bij exploit van 13 februari 1995 eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] c.s. - gedagvaard voor de Kantonrechter te Utrecht en gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. op grond van de in het lichaam van de dagvaarding omschreven wanprestatie de tussen

Punta Argentara enerzijds en [eiseres 1] anderzijds bestaande huurovereenkomst betreffende de bedrijfsruimte gelegen te Zeist aan het Emmaplein 204/koppelgebied Pleinzijde unitnr. [..] te ontbinden;

2. [eiseres 1] te veroordelen om het voormelde gehuurde binnen 3 dagen na betekening van

het te dezen te wijzen vonnis te ontruimen;

3. [eiseres] c.s. hoofdelijk en voor het geheel, des dat de een betalende de ander zal zijn

bevrijd, te veroordelen om aan Punta Argentara te betalen (a) een bedrag van ƒ 14.482,94 aan huur, rente en incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van ƒ 12.346,94 vanaf de dag van de dagvaarding, (b) een bedrag van ƒ 6.173,47 per kwartaal aan huurverplichting vanaf 1 april 1995 tot aan het tijdstip van de onderhavige ontbinding van de huurovereenkomst door de Kantonrechter, en (c) terzake van schadevergoeding een bedrag van ƒ 6.173,47 per kwartaal, waarbij een gedeelte van een kwartaal voor een vol kwartaal wordt geteld, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de onderhavige huurovereenkomst door de Kantonrechter wordt beëindigd en tot aan het tijdstip dat Punta Argentara het gehuurde aan een ander heeft verhuurd, echter ten hoogste tot en met 1 augustus 1998, zijnde de expiratiedatum van de schriftelijke huurovereenkomst.

[Eiseres] c.s. hebben met uitzondering van de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst per 1 januari 1995 de vorderingen bestreden en in reconventie de veroordeling van Punta Argentara gevorderd tot betaling aan hen van een bedrag van ƒ 222.500,-- aan schadevergoeding.

Punta Argentara heeft in reconventie de vordering van [eiseres] c.s. bestreden.

Na een tussenvonnis van 30 november 1995, waarbij een comparitie van partijen werd gelast, heeft de Kantonrechter bij eindvonnis van 31 juli 1996 in conventie [eiseres] c.s. hoofdelijk en voor het geheel, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, veroordeeld om aan Punta Argentara te betalen (a) een bedrag van ƒ 14.482,94 met de wettelijke rente over ƒ 12.346,94 vanaf 13 februari 1995, en (b) een bedrag van ƒ 4.115,64 te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 april 1995, en het eventueel meer of anders gevorderde afgewezen. In reconventie heeft de Kantonrechter de vordering van [eiseres] c.s. afgewezen.

Tegen dit eindvonnis hebben [eiseres] c.s. zowel in conventie als in reconventie hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Utrecht.

Bij vonnis van 23 december 1998 heeft de Rechtbank [eiseres] c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank hebben [eiseres] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De twee cassatiedagvaardingen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Verweerster in cassatie sub 2, als rechtsopvolgster van verweerster in cassatie sub 1, hierna: Amvest, heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

[Eiseres] c.s. hebben de zaak namens hun advocaat doen toelichten door mr O.C. van Angeren, advocaat bij de Hoge Raad, en Amvest heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Wesseling- van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep voor zover gericht tegen Punta Argentara en tot verwerping van het cassatieberoep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In het onderhavige geding heeft Punta Argentara gevorderd hetgeen hiervoor onder 1 is vermeld. De Kantonrechter heeft die vordering toegewezen zoals aangegeven en heeft in reconventie de vordering van [eiseres] c.s. afgewezen. De Rechtbank heeft [eiseres] c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep.

3.2 De Rechtbank heeft in rov. 3.2 van haar vonnis haar beslissing hierop gegrond dat op 29 september 1995 een fusie als bedoeld in art. 2:309 BW heeft plaatsgevonden tussen Punta Argentara en Mandes Shopping Centers B.V. (thans: Amvest Winkelcentra-M B.V.) waarbij deze het vermogen van Punta Argentara onder algemene titel heeft verkregen en waardoor Punta Argentara heeft opgehouden te bestaan.

3.3 Onderdeel 2 strekt ten betoge dat de Rechtbank heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het door Punta Argentara in hoger beroep gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van [eiseres] c.s. in strijd is met een goede procesorde, nu zij bij dit beroep geen rechtens te respecteren belang had. Punta Argentara is op de dagvaarding in hoger beroep verschenen en heeft zich niet alleen beroepen op niet-ontvankelijkheid maar ook inhoudelijk verweer gevoerd. Het moet er volgens het onderdeel voor worden gehouden dat het in hoger beroep ten name van Punta Argentara gevoerde verweer in feite gevoerd is door en namens de verkrijgende vennootschap en dat deze bekend is geworden met het rechtsmiddel tegen het vonnis van de Kantonrechter.

3.4 Bij de beoordeling van dit onderdeel behoort te worden uitgegaan van de regel dat, nu tijdens de procedure in eerste aanleg een fusie als hiervoor in 3.2 vermeld heeft plaatsgevonden, die tot gevolg had dat Punta Argentara is opgehouden te bestaan en dat haar rechten zijn overgegaan op Amvest, het hoger beroep uitsluitend tegen Amvest kan worden ingesteld (HR 13 november 1987, nr. 13259, NJ 1988, 941). Het onderdeel strekt ten betoge dat deze regel in het onderhavige geval niet behoort te worden aanvaard, omdat het beroep op niet-ontvankelijkheid in strijd is met de eisen van een goede procesorde, aangezien noch Punta Argentara noch Amvest een rechtens te respecteren belang heeft bij de eis dat het beroep niet tegen Punta Argentara maar tegen Amvest wordt ingesteld. Het onderdeel beroept zich daartoe op de strekking van de regel, te weten dat de zaak niet buiten de rechtsopvolger om wordt behandeld en afgedaan.

Het was aan de in hoger beroep niet gedagvaarde Amvest om te beslissen of zij al dan niet wenste te verschijnen en verweer te voeren en daartoe behoorde zij op de hoogte te zijn van het ingestelde hoger beroep. Op grond van de door het middel aangevoerde omstandigheden dat de appeldagvaarding is uitgereikt aan iemand die ten kantore van Amvest werkzaam was en dat Punta Argentara in hoger beroep ook inhoudelijk verweer heeft gevoerd, kan niet zonder meer worden aangenomen dat Amvest met het hoger beroep bekend was of dat het ervoor moet worden gehouden dat het verweer in feite door en namens haar is gevoerd. Of dit een en ander al dan niet het geval is, vergt een onderzoek van feitelijke aard waarvoor in cassatie geen plaats is, zodat op voormelde omstandigheden niet voor het eerst in cassatie een beroep kan worden gedaan.

Voor een uitzondering op de in de eerste alinea vermelde regel is bovendien geen plaats in een geval als het onderhavige waarin moet worden aangenomen dat [eiseres] c.s. op de hoogte waren, of hadden kunnen zijn, van de rechtsovergang.

Het vorenoverwogene brengt mee dat Punta Argentara zich op de voet van voormelde regel erop kon beroepen dat het hoger beroep niet tegen haar doch tegen Amvest had moeten zijn ingesteld, en dat zij hierbij ook een rechtens te respecteren belang had op de grond dat niet een vonnis zou worden gewezen in een rechtsverhouding die, doordat zij was opgehouden te bestaan, haar niet langer aanging. Het onderdeel faalt derhalve.

3.5 Anders dan onderdeel 3 aanvoert, brengt de omstandigheid dat het geding in eerste aanleg, ook nadat Punta Argentara door de fusie had opgehouden te bestaan, ten name van Punta Argentara is voortgezet, niet mee dat ook in hoger beroep het geding tegen haar kon worden gevoerd. Nu met het hoger beroep een nieuwe instantie wordt ingeleid, volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen dat de rechtsopvolger een rechtens te respecteren belang erbij heeft daarvan op de juiste wijze in kennis te worden gesteld. Het onderdeel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

3.6 Bij de door onderdeel 4 bestreden overweging, dat [eiseres] c.s., hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen akte uitlating producties hebben genomen (rov. 1.4), gaat het om een overweging ten overvloede die de beslissing van de Rechtbank niet draagt. Het onderdeel kan derhalve bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

3.7 Uit hetgeen in rov. 3.4 is overwogen vloeit voort dat [eiseres] c.s. niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun cassatieberoep, voor zover dat is gericht tegen Punta Argentara. Voor het overige moet het beroep worden verworpen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart [eiseres] c.s. niet-ontvankelijk in hun beroep voor zover dit is gericht tegen Punta Argentara;

verwerpt het beroep voor het overige;

veroordeelt [eiseres] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Punta Argentara en Amvest begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 5 januari 2001.