Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9244

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-01-2001
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
35609
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9244
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2001/194 met annotatie van M.E. VAN HILTEN
FED 2001/51
WFR 2001/34
V-N 2001/4.27 met annotatie van Redactie
FutD 2001-0001
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

D e r d e K a m e r

Nr. 35609

3 januari 2001

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 10 augustus 1999 betreffende het bedrag dat door X te Z als omzetbelasting op aangifte is voldaan over het tijdvak 1 februari 1996 tot en met 31 december 1996.

1. Aangifte, bezwaar en geding voor het Hof

Belanghebbende heeft over voormeld tijdvak op aangifte voldaan een bedrag van - voorzover hier van belang - ¦ 5.321,-- aan omzetbelasting. Zij heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt bij de Inspecteur en verzocht om teruggaaf van genoemd bedrag, waarna de Inspecteur bij uitspraak dit bezwaar heeft afgewezen.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en heeft bepaald dat de Inspecteur een teruggaaf aan belanghebbende verleent van ¦ 5.321,-- aan omzetbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal Wattel heeft op 7 juli 2000 geconcludeerd tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

3. Beoordeling van het middel van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende exploiteert een ‘smartshop’ waar zij zogenoemde ecodrugs verkoopt. Hiertoe behoren onder meer gedroogde, psilocybine (een geestverruimend middel) bevattende paddestoelen (aangeduid als: paddo's).

3.2. In geschil is of de levering van paddo's is belast met omzetbelasting en zo ja, of het verlaagde tarief van 6% van toepassing is.

3.3. Krachtens de Opiumwet is verboden het bereiden, be- of verwerken, verkopen, afleveren en verstrekken van middelen, vermeld op de bij die wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens algemene maatregel van bestuur (artikel 2 van de Opiumwet). Tevens is het verboden om die middelen aanwezig te hebben of te vervaardigen. In lijst I staat onder C: ‘Psilocine’ en ‘Psilocybine’, alsmede ‘Preparaten die één of meer van vorengenoemde substanties bevatten’. Onverminderd het bepaalde in artikelen 33 tot en met 35 en 36b tot en met 36d van het Wetboek van Strafrecht worden de in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet bedoelde middelen (dus ook middelen bevattende psilocybine) verbeurd verklaard of aan het verkeer onttrokken (artikel 13a van de Opiumwet).

Het vorenstaande is in overeenstemming met het bepaalde in het Verdrag inzake Psychotrope stoffen, gesloten te Wenen op 21 februari 1971 (Trb. 1989, 129; hierna: het PSV) en door Nederland goedgekeurd bij Rijkswet van 2 juli 1993 (Stb. 1993, 448). Krachtens dit verdrag, tot welk alle lidstaten van de EG zijn toegetreden, dienen de aangesloten Staten elk gebruik van de op de bij dit verdrag behorende lijst I te verbieden, behalve het gebruik voor wetenschappelijke en zeer beperkte medische doeleinden. Genoemde lijst I vermeldt onder meer psilocybine, alsmede preparaten die deze substantie bevatten. Niet in geschil is dat de litigieuze producten onder deze producten zijn te begrijpen.

3.4. Het Hof heeft uit het hiervóór in 3.3 vermelde de conclusie getrokken dat ervan kan worden uitgegaan dat de verkoop van paddo’s in alle lidstaten van de EG verboden is. Op grond daarvan heeft het Hof geoordeeld dat de verkoop van paddo’s niet in het commerciële circuit van de EU plaatsheeft en bijgevolg geen omzetbelastingschuld doet ontstaan. Kennelijk heeft het Hof bedoeld te oordelen dat ten aanzien van de paddo’s een absoluut invoer- en verhandelingverbod bestaat, dat gebaseerd is op de aard van het goed, terwijl met betrekking tot de handel in paddo’s door dat verbod en die aard elke mededinging tussen de legale en illegale economische sector is uitgesloten, een en ander zoals bedoeld in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG, die is aangehaald in onderdeel 2.1 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3.5. Het middel betoogt dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of inderdaad alle lidstaten van de EG het PSV hebben geïmplementeerd en op welke wijze het handhaven van het verbod tot verkoop van (psilocybine bevattende) paddo’s gestalte heeft gekregen. Voor wat betreft dit laatste faalt het middel op de in onderdeel 4.8, laatste twee volzinnen, van de conclusie van de Advocaat-Generaal genoemde grond.

3.6. Het middel faalt ook voor het overige. Het Hof mocht ervan uitgaan dat alle lidstaten hun verplichtingen uit hoofde van het PSV zijn nagekomen en een verbod tot invoer en verhandeling van paddo’s in hun wetgeving hebben geïmplementeerd, nu ten processe niet is aangevoerd dat grond bestaat om aan te nemen dat zulks in één of meer staten niet is geschied.

3.7. Op grond van hetgeen hiervóór in 3.5 en 3.6 is overwogen kan het middel niet tot cassatie leiden.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is op 3 januari 2001 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, A.E. de Moor, D.G. van Vliet en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.