Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AA9242

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-01-2001
Datum publicatie
15-08-2001
Zaaknummer
34781
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AA9242
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2001/193 met annotatie van M.E. VAN HILTEN
FED 2001/49
WFR 2001/33
V-N 2001/4.28 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

D e r d e K a m e r

Nr. 34781

3 januari 2001

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam, P95/03849, van 3 september 1998 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1989 tot en met 31 december 1992 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd met een verhoging van honderd procent van ¦ 19.268,--, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag kwijtschelding tot op vijfentwintig procent heeft verleend. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij gezamenlijke uitspraak de naheffingsaanslag verminderd tot een aanslag ten bedrage van ¦ 105.207,-- met een verhoging van honderd procent van ¦ 19.268,--, en de beschikking betreffende de verhoging gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep ongegrond heeft verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wattel heeft op 20 juni 2000 geconcludeerd tot verwerping van het beroep en tot het ambtshalve verminderen van de in de naheffingsaanslag begrepen verhoging tot nihil.

Belanghebbende heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende drijft een zogeheten growshop. Hij kweekt zaden en stekken van hennepplanten (Cannabis) voor de verkoop. Voorts verkoopt hij attributen voor de hennepteelt. Zijn stekken en zaden zijn bij uitstek geschikt voor de productie van marihuana.

Belanghebbende leverde in het naheffingstijdvak zijn stekken en zaden van hennepplanten tegen het verlaagde omzetbelastingtarief en heeft in overeenstemming daarmee de belasting op aangifte voldaan. De Inspecteur heeft een naheffingsaanslag opgelegd, berekend naar het algemene tarief. Na bezwaar achtte de Inspecteur ter zake van de levering van hennepzaden alsnog het verlaagde tarief van toepassing op grond van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) behorende Tabel I, onder a, post 41 (oliehoudende zaden). Ter zake van de levering van de stekken was volgens de Inspecteur echter het algemene tarief van toepassing, op grond waarvan hij de naheffingsaanslag op dit punt handhaafde, evenals ten aanzien van een bedrag aan enkelvoudige belasting wegens aansluitingsverschillen van ¦ 19.268,-- en de daarover berekende verhoging van vijfentwintig procent, welke niet in geschil zijn, alsmede een bedrag van ¦ 9.694,--, dat eveneens niet in geschil is.

Naar aanleiding van een onderzoek naar de naleving van de Opiumwet en de Zaaizaad- en Plantgoedwet is belanghebbende strafrechtelijk vervolgd. Bij vonnis van 22 januari 1996 van de Politierechter te Amsterdam is hij veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet. Hij heeft geen hoger beroep ingesteld.

3.2. In geschil is of de levering van stekken van hennepplanten, welke verboden is op grond van de Opiumwet, is onderworpen aan de heffing van omzetbelasting.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat het op de weg van belanghebbende ligt aannemelijk te maken dat er in het tijdvak waarover is nageheven, met betrekking tot de in geding zijnde stekken in alle lidstaten van de EG een absoluut invoer- en verhandelingverbod bestaat.

Voorzover het middel zich keert dit oordeel slaagt het op de in onderdeel 4.6 van de conclusie van de Advocaat-Generaal genoemde gronden. Het middel kan echter niet tot cassatie leiden. Zo al elke lidstaat van de EG, ook indien daartoe genoopt door een of meer internationale verdragen, een invoer- en verhandelingverbod zou kennen ten aanzien van hennepstekken, die, zoals de onderhavige worden geteeld met het oog op verkoop voor productie van een verdovend middel, dan nog kan dit, naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, niet tot de conclusie leiden dat de onderhavige levering buiten de heffing van de omzetbelasting valt, aangezien, naar het Hof heeft vastgesteld, de hennepstekken zelf geen verdovende middelen zijn en deze ook overigens, zoals uiteengezet in onderdeel 4.12 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, geen goederen zijn die in zichzelf schadelijk zijn voor de openbare orde, de volksgezondheid of een dergelijk dringend belang, maar verboden zijn in verband met de omstandigheid dat zij geschikt en bestemd zijn voor het voortbrengen van producten waaruit een dergelijke schadelijke stof (een verdovend middel) kan worden gewonnen. Mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 29 juni 1999, zaak C-158/98 (Coffeeshop Siberië), BNB 2000/178, - met name op rechtsoverweging 9 - dient de levering van een dergelijk goed, dat zelf nog geen schadelijk, verboden verdovend middel is, niet van heffing van omzetbelasting te worden uitgesloten. In dit verband wordt opgemerkt dat het hiervóór genoemde verbod van de Opiumwet niet absoluut is in die zin dat daaronder valt elk voorhanden hebben en verhandelen van hennepstekken buiten het strikt gereglementeerde gebruik voor medische en wetenschappelijke doeleinden (onderdeel 4.20 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 3 januari 2001 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, A.E. de Moor, D.G. van Vliet en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.