Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:ZD2182

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-12-2000
Datum publicatie
06-09-2017
Zaaknummer
01914/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:ZD2182
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Verstek en afwezigheid raadsman. De schriftelijke kennisgeving cfm art. 39.1 Sv is een ordemaatregel en geen voorwaarde om als raadsman te kunnen optreden. Als uit een in het dossier aanwezig stuk kan blijken dat verdachte voor die aanleg voorzien is van een raadsman, behoort deze als zodanig te worden erkend. De appèlakte waarin staat dat namens de verdachte door een advocaat het rechtsmiddel is aangewend, is niet zo'n stuk nu daaruit niet kan worden afgeleid dat de advocaat de verdachte ook daarna zal bijstaan. Voor het hof bestond dus geen aanleiding tot nader onderzoek. 2. Verstek en afzien horen getuige. Gelet op art. 331.2 Sv kon ook zonder toestemming van verdachte worden afgezien van het horen van een op de lijst van getuigen voorkomende doch niet verschenen getuige. Samenvatting: Beroep verworpen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 38, geldigheid: 2000-12-19
Wetboek van Strafvordering 39, geldigheid: 2000-12-19
Wetboek van Strafvordering 43, geldigheid: 2000-12-19
Wetboek van Strafvordering 51, geldigheid: 2000-12-19
Wetboek van Strafvordering 331, geldigheid: 2000-12-19
Wetboek van Strafvordering 280, geldigheid: 2000-12-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 674
NJ 2001, 161

Uitspraak

19 december 2000

Strafkamer nr. 01914/00

HM/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 6 januari 1998, parketnummer 20/000492- 97, alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegevenen beslissingen in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier ten lande.

1. De bestreden einduitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 12 november 1996 - de verdachte ter zake van 1. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder D, van de Opiumwet gegeven verbod" "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een schietwapen in de de vorm van een pistool" veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf, alsmede tot ; een geldboete van vijfduizend gulden, subsidiair vijftig dagen hechtenis, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak met verwijzing van de zaak naar een aangrenzend gerechtshof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman van de verdachte op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof tot de behandeling van de zaak bij verstek is overgegaan, terwijl noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch uit het arrest van het Hof blijkt dat het Hof onderzoek heeft gedaan naar de afwezigheid van de raadsman en evenmin blijkt van een verzending van een afschrift van de dagvaarding ingevolge art. 51 Sv aan die raadsman, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dat afschrift niet is verstuurd.

3.2.1. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende voorop te worden gesteld. Art. 38, eerste lid, Sv bepaalt dat de verdachte te allen tijde bevoegd is een of meer raadslieden te kiezen. Behoudens in het geval van voortijdige beëindiging van diens werkzaamheid, geldt de keuze van een raadsman - zoals ingevolge art. 43, eerste lid, Sv de toevoeging van een raadsman - voor de gehele aanleg waarin zij heeft plaatsgehad.

3.2.2. Ingevolge art. 39, eerste lid, Sv geeft de gekozen raadsman van zijn optreden als zodanig, wanneer de officier van justitie reeds in de zaak betrokken is, schriftelijk kennis aan de griffier of, als dat nog niet het geval is, aan de betrokken hulpofficier. De regeling van art. 39 Sv moet worden beschouwd als een ordemaatregel en een schriftelijke kennisgeving vormt geen noodzakelijke voorwaarde om als raadsman te kunnen optreden. Indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een raadsman, dan behoort deze raadsman als zodanig te worden erkend.

3.3. De appèlakte waarin staat vermeld dat namens de verdachte door een advocaat het rechtsmiddel is aangewend, is anders dan in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, niet als een dergelijk in 3.2.2 bedoeld stuk aan te merken. Uit de enkele omstandigheid dat namens een verdachte door een advocaat een rechtsmiddel is ingesteld kan immers niet worden afgeleid dat die advocaat de verdachte ook bij de daaropvolgende behandeling als raadsman zal bijstaan. Voor het Hof bestond derhalve geen aanleiding te onderzoeken of de in de appèlakte genoemde advocaat op de hoogte was van het tijdstip van de behandeling van de zaak ter terechtzitting van het Hof, dan wel de zaak aan te houden.

3.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het middel faalt.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof op onjuiste gronden heeft afgezien van een op de lijst van getuigen voorkomende, doch niet verschenen getuige nu alleen de Procureur-Generaal toestemming heeft gegeven van het horen van de getuige af te zien.

4.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt - voorzover hier van belang - in: "Op de vordering van de procureur-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.(...)

De voorzitter deelt mede, dat de getuige [getuige] niet is verschenen, ondanks dat zij op de bij de wet voorgeschreven wijze is opgeroepen.

Met instemming van de procureur-generaal ziet het hof af van het horen van de getuige [getuige] ter terechtzitting in hoger beroep".

4.3. Het Hof kon, gelet op art. 331, tweede lid, Sv ook zonder de toestemming van de verdachte van het horen van deze getuige afzien, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 19 december 2000.