Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:ZD1700

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-01-2000
Datum publicatie
06-05-2020
Zaaknummer
113.115
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:ZD1700
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen opzettelijke vrijheidsberoving, art. 282.1 Sr. Kan uit b.m. volgen dat sprake is van medeplegen? Hof heeft blijkens gebezigde b.m. vastgesteld dat verdachte in woning verbleef waar slachtoffer, naar verdachte wist tegen haar wil, werd vastgehouden, dat verdachte, die ervan uit ging dat er steeds iemand bij slachtoffer in de buurt moest blijven, steeds in woonkamer was en dat slachtoffer ook in woonkamer heeft gezeten en dat verdachte, toen 2 medeverdachten woning hadden verlaten, samen met 2 anderen in woning achterbleef, terwijl slachtoffer vastgebonden in slaapkamer op bed lag. Op grond hiervan en in aanmerking genomen dat verdachte zich niet heeft gedistantieerd van gedragingen van anderen, is 's Hofs, niet van onjuiste rechtsopvatting blijk gevende, oordeel dat verdachte aldus heeft bijgedragen en met zijn mededaders bewust heeft samengewerkt aan doen voortduren van vrijheidsberoving, waardoor gesproken moet worden van medeplegen, niet onbegrijpelijk. Voor verdergaande toetsing is in cassatie geen plaats. Volgt verwerping.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 282
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 31
JOL 2000, 123
NJ 2000, 228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 januari 2000
Strafkamer
nr. 113.115
AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 18 januari 1999 in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, zonder bekende woon – of verblijfplaats hier te lande, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "de Oosterhoek" te Grave.

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Breda van 29 juni 1998 - de verdachte ter zake van 1. "medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden" en 3., 4. en 5. telkens opleverende: "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf.

1.2. Het verkorte arrest, en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv, voorzover betrekking hebbende op het onder 1 bewezenverklaarde feit, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie


Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr G. Spong, advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur met een middel van cassatie ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3 . Beoordeling van het middel


3.1. Het middel behelst de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit sprake was van medeplegen.

3.2. Het Hof heeft een namens de verdachte gevoerd verweer, strekkende tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde feit, samengevat en verworpen, als is weergegeven op blz. 3 van het verkorte arrest.

3.3. Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat:

- de verdachte in de woning verbleef waar het slachtoffer, naar verdachte wist tegen haar wil, werd vastgehouden;

- de verdachte, die ervan uit ging dat er steeds iemand bij het slachtoffer in de buurt moest blijven, steeds in de woonkamer was en dat het slachtoffer ook in de woonkamer heeft gezeten en

- de verdachte, toen twee medeverdachten de woning hadden verlaten, samen met twee anderen in de woning achterbleef, terwijl het slachtoffer vastgebonden in de slaapkamer op het bed lag.

3.4. Op grond van het vorenoverwogene en in aanmerking genomen dat de verdachte zich niet heeft gedistantieerd van de gedragingen van de anderen, is 's Hofs, niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gevende, oordeel dat de verdachte aldus heeft bijgedragen en met zijn mededaders bewust heeft samengewerkt aan het doen voortduren van de vrijheidsberoving, waardoor gesproken moet worden van medeplegen, niet onbegrijpelijk. Voor een verdergaande toetsing is in cassatie geen plaats.

3.5. Het middel faalt dus.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing


De Hoge Raad verwerpt het beroep.


Dit arrest is gewezen door de vice-president Davids als voorzitter, en de raadsheren Aaftink en Van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend griffier Hennekam, en uitgesproken op 11 januari 2000.