Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AB1240

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-06-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
4042 D
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AB1240
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 24b, geldigheid: 2000-06-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2001, 265
VR 2001, 58

Uitspraak

20 juni 2000

Strafkamer

nr. 4042 D Besch.

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Kantongerecht te Zwolle van 15 januari 1999 betreffende:

[betrokkene], wonende te [woonplaats].

1. De beschikking van de Kantonrechter

1.1. De Kantonrechter heeft het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een door de Officier van Justitie te Leeuwarden tegen de betrokkene uitgevaardigd dwangbevel van 8 juli 1998 - voorzover het zich richt tegen de aan de betrokkene aangezegde incassokosten en btw hierover - gegrond verklaard, de tenuitvoerlegging van het dwangbevel in zoverre verboden en het verzet voor het overige ongegrond verklaard. Voorts heeft de Kantonrechter bepaald dat het door de betrokkene betaalde griffierecht dient te worden gerestitueerd.

1.2. De bestreden beschikking is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep, dat niet is gericht tegen de bestreden beschikking voorzover daarbij het verzet ongegrond is verklaard, is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en ongegrondverklaring van het verzet.

3. De feiten

3.1. De stukken van het geding houden het volgende in.

De betrokkene is door de Kantonrechter te Zwolle ter zake van het begaan van een strafbaar feit veroordeeld tot een geldboete van f. 1.000,-- subsidiair twintig dagen hechtenis.

Op 8 juli 1998 heeft de Officier van Justitie, met toepassing van art. 575 Sv, tegen de betrokkene een dwangbevel uitgevaardigd met bevel dat het nog verschuldigde bedrag, zijnde de geldboete en de wettelijke verhogingen tezamen f. 1.230,--, en de kosten van het bevel en alle in verband met de tenuitvoerlegging van het bevel te maken kosten, waaronder begrepen de invorderingskosten, op de betrokkene zullen worden verhaald.

Bij op 15 juli 1998 betekend exploit heeft H.M. Kaajan, toegevoegd kandidaat-deurwaarder te Zwolle, het dwangbevel aan de betrokkene betekend en deze bevel gedaan dat hij binnen twee dagen aan de inhoud van het dwangbevel zal voldoen en zal betalen:

het voormelde bedrag van f. 1.230,--

voor incassokosten 184,50

BTW hierover 32,29

kosten van exploit van betekening en bevel 77,67

tezamen f. 1.524,46

Tevens is aan de betrokkene bij het exploit aangezegd dat voor het geval hij in gebreke mocht blijven aan het bevel te voldoen, de executoriale titel ten uitvoer zal worden gelegd ”zowel door beslag op en verkoop van de roerende en/of onroerende zaken van de schuldenaar, als door alle verdere wettelijke middelen”.

3.2. Het vorderen van de incassokosten vindt kennelijk mede zijn grond in art. 14 Deurwaardersreglement dat, voorzover hier van belang, bepaalt:

“Aan de deurwaarder zijn voor de hieronder genoemde ambtshandelingen de daarbij vermelde bedragen verschuldigd:

A.(…)

K. Voor de incasso van een geldboete als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht, (…) vijftien procent “van het verschuldigde bedrag, doch ten minste vijftig gulden”.

3.3. Bij op 23 juli 1998 ingekomen bezwaarschrift heeft de betrokkene op grond van art. 575, derde lid, Sv verzet gedaan tegen het dwangbevel. Hij heeft daarbij aangevoerd dat hij bereid is de boete te betalen maar dat hij kwijtschelding wil krijgen van de incassokosten. Voorts verzoekt de betrokkene om een betalingsregeling.

4. Aan de beoordeling van het middel voorafgaande beschouwingen

4.1. Indien een strafvonnis waarbij een geldboete is opgelegd wordt tenuitvoergelegd door invordering of verhaal, komt de vraag aan de orde welke van de daaraan verbonden kosten ten laste van de veroordeelde kunnen worden gebracht en op deze kunnen worden verhaald.

4.2. Indien en voorzover het met de tenuitvoerlegging belaste openbaar ministerie de geldboete invordert zonder dat een dwangbevel wordt uitgevaardigd als bedoeld in art. 575 Sv, kunnen de daarmee gemoeide kosten niet ten laste van de veroordeelde worden gebracht aangezien een wettelijke grondslag daartoe ontbreekt.

4.3. Indien en voorzover een dwangbevel als bedoeld in art. 575 Sv is uitgevaardigd, geschiedt volgens het tweede lid van dat artikel de tenuitvoerlegging daarvan “als een vonnis van de burgerlijke rechter”. Zulks geldt dus ook voor de kosten van die tenuitvoerlegging.

4.4. De Hoge Raad stelt daarbij voorop dat de art. 56 en 57 Rv hier geen rol kunnen spelen, aangezien die artikelen slechts betreffen de kosten van het geding waartoe, behoudens toegelaten uitzonderingen, de verliezende partij wordt veroordeeld. Deze situatie doet zich in het strafproces niet voor.

Zulks geldt dus ook voor “de na de uitspraak gevallen kosten” (de zogenaamde nakosten), als bedoeld in art. 56, vijfde lid, Rv, waartoe onder meer worden gerekend die van het exploit van betekening van het vonnis.

4.5. Ingeval een bij een vonnis van de burgerlijke rechter veroordeelde in gebreke is om aan het vonnis te voldoen, is de executant de kosten verschuldigd die zijn verbonden aan de uitvoering van de opdracht tot executie die hij aan derden, zoals de deurwaarder, heeft verstrekt.

Het stelsel, zoals dit moet worden afgeleid uit de art. 3:277, eerste lid, BW en 470, 474, 522 en 524 Rv brengt mee dat zodanige executiekosten uit de opbrengst van de executie worden voldaan en dat het restant van de opbrengst strekt tot voldoening van de vordering van de executant.

Hieruit volgt dat de executant in een zodanig geval verhaal kan nemen tot het bedrag van het aan hem verschuldigde vermeerderd met de executiekosten.

4.6. Uit het vorenstaande volgt dat de officier van justitie noch aan art. 575 Sv noch aan enige andere wettelijke bepaling de bevoegdheid kan ontlenen om een dwangbevel uit te vaardigen voor een hoger bedrag dan wordt gevormd door de som van de oorspronkelijke geldboete en de ingevolge art. 24b, eerste en tweede lid, Sr daarop toegepaste verhogingen.

Pas wanneer gebruik wordt gemaakt van het recht om krachtens het dwangbevel de goederen van de veroordeelde aan te tasten, als bedoeld in art. 575, eerste lid, Sv - derhalve als de geldboete en de verhogingen op de goederen van de veroordeelde worden verhaald - kunnen de executiekosten uit de opbrengst van de goederen worden voldaan zodat de executie zich mede tot voldoening van die kosten kan uitstrekken.

4.7. Art. 14 Deurwaardersreglement, voorzover hiervoor onder 3.2 is weergegeven, doet aan het vorenstaande niet af, aangezien op grond van dat artikel de hoogte van het door de executant aan de deurwaarder verschuldigde bedrag ‘voor de incasso van een geldboete als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht’ wordt berekend, doch daaruit niet volgt dat dit bedrag ten laste van de veroordeelde kan worden gebracht.

De Hoge Raad merkt hierbij op dat onder “de incasso” als bedoeld in art. 14, aanhef en letter K, Deurwaardersreglement moet worden verstaan de ambtshandelingen van de deurwaarder die hebben geleid tot een geslaagde invordering van de opgelegde boete en verhogingen.

4.8. Opmerking verdient nog dat bij de Wet van 10 december 1992 (Stb. 1993, 11), welke wet in werking is getreden op 1 maart 1993, is vervallen het vijfde lid van art. 575 Sv, dat luidde:

“De kosten van het verhaal krachtens dit artikel worden op gelijke voet als de geldboete op de veroordeelde verhaald. Zij worden berekend met toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken”.

Blijkens de Memorie van Toelichting werd deze bepaling overbodig geoordeeld omdat in de art. 574 en 575 Sv is bepaald dat verhaal geschiedt op de wijze als in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is voorzien. Tevens werd aldaar opgemerkt dat onder de kosten van het verhaal de kosten van de invordering werden begrepen (Kamerstukken II 1989-1990, 21 504, nr. 3, blz. 67).

Zoals hiervoor is overwogen, kan evenwel uit het in dit geval toepasselijke art. 575, tweede lid, Sv, waar dit bepaalt dat het dwangbevel ten uitvoer wordt gelegd als een vonnis van de burgerlijke rechter, niet volgen dat de officier van justitie voor de invorderingskosten een dwangbevel kan uitvaardigen (HR 8 juli 1992, NJ 1993, 180).

5. Beoordeling van het middel

5.1. Het middel strekt ten betoge dat de Kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat er ten tijde van het uitvaardigen van het dwangbevel nog geen sprake was van incasso van de geldboete. Het middel is dus gericht tegen de bestreden beschikking voorzover daarin het verzet gegrond is verklaard voor de aan de betrokkene aangezegde incassokosten en de hierover berekende BTW en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel in zoverre is verboden.

5.2. Uit het hiervoor onder 4.6 overwogene volgt dat het aangevallen oordeel van de Kantonrechter juist is, wat er ook zij van diens motivering. Het middel kan daarom niet tot cassatie leiden, zodat beslist moet worden als volgt.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, F.H. Koster, H.A.M. Aaftink en J.P. Balkema, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2000.