Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AB0422

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35523
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2001/143
WFR 2001/338, 1
V-N 2001/16.23 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 35523

8 november 2000

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 7 juli 1999 betreffende de hem voor het jaar 1994 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 52.156,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak bevestigd.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen van cassatie voorgesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

De vader van belanghebbende was directeur en enig aandeelhouder van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (hierna: de BV).

Bij notariële akte van 31 december 1990 heeft de vader van belanghebbende aan de BV voor een periode van 30 jaar een recht van opstal verleend op een stuk grond van hem waarop de BV een bedrijfshal heeft gesticht.

In deze akte is, voorzover in cassatie van belang, het volgende opgenomen:

“Bij het eindigen van het recht van opstal, op welke wijze of om welke oorzaak of reden dit ook zij, treedt de eigenaar van rechtswege in de eigendom van de gestichte bedrijfshal met aanbehoren, onder verplichting voor hem om binnen één maand daarna aan de alsdan gewezen opstalhouder te betalen een bedrag gelijk aan het door de opstalhouder geïnvesteerde bedrag groot vierhonderdvijftigduizend gulden (f 450.000,--) exclusief omzetbelasting, verminderd met drie procent van gemeld bedrag voor ieder jaar dat het opstalrecht heeft voortgeduurd.”

In december 1992 heeft belanghebbende van zijn vader alle aandelen in de BV gekocht en heeft hij voorts van hem de economische eigendom van de grond verworven, waarbij alle rechten en verplichtingen inzake het recht van opstal op belanghebbende zijn overgegaan.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende de afschrijvingskosten van de opstal niet ten laste van zijn inkomen kan brengen nu deze voor hem geen bron van inkomen is. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige als van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. De middelen falen derhalve.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 8 november 2000 vastgesteld door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.