Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA9139

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-12-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
C99/098HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA9139
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:5, geldigheid: 2000-12-22
Algemene wet bestuursrecht 8:4, geldigheid: 2000-12-22
Algemene wet inzake rijksbelastingen 1, geldigheid: 2000-12-22
Gemeentewet 212, geldigheid: 2000-12-22
Gemeentewet 231, geldigheid: 2000-12-22
Invorderingswet 1990 1, geldigheid: 2000-12-22
Invorderingswet 1990 25, geldigheid: 2000-12-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2001/27 met annotatie van EvdL
AB 2001, 84
JOL 2000, 670
NJ 2001, 68
RvdW 2001, 16
Belastingblad 2001/659
JWB 2000/260

Uitspraak

22 december 2000

Eerste Kamer

Nr. C99/098HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

PHILIPS INTERNATIONAL B.V., gevestigd te Eindhoven,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. J.G. de Vries Robbé,

t e g e n

DE AMBTENAAR DER GEMEENTE EINDHOVEN, als bedoeld in artikel 212, 2e lid, in verbinding met artikel 231, 2e lid, aanhef en onder c Gemeentewet, zetelende en kantoorhoudende te Eindhoven,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Philips - heeft bij exploit van 2 december 1997 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Ambtenaar - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Ambtenaar te veroordelen Philips alsnog algeheel uitstel van betaling te verlenen ter zake van de aanslagen rioolrechten gebruik 1994, 1995 en 1996 totdat de belasting kamer van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch zal hebben beslist op de terzake door Philips ingestelde beroepen, mitsdien aan Philips (terug) te betalen een bedrag van ƒ 7.206.979,--, met vergoeding van de wettelijke rente over:

de aanslag rioolrechten 1994 1e termijn ad ƒ 588.730,-- vanaf 19 juni 1997 tot aan de dag van (terug)betaling, de aanslag rioolrechten 1994 2e termijn ad ƒ 588.730,-- vanaf de dag van haar betaling 2 december 1994 tot aan de dag van (terug)betaling, de aanslag rioolrechten 1994 3e termijn ad ƒ 588.732,-- vanaf de dag van haar betaling 27 januari 1995 tot aan de dag van (terug)betaling, de aanslag rioolrechten 1995 1e termijn ad ƒ 811.888,-- vanaf 19 juni 1997 tot aan de dag van (terug)betaling, de aanslag rioolrechten 1995 2e termijn ad ƒ 842.842,-- vanaf de dag van haar betaling 1 september 1995 tot aan de dag van (terug)betaling, de aanslag rioolrechten 1995 3e termijn ad ƒ 842.842,-- vanaf de dag van haar betaling 1 september 1995 tot aan de dag van de (terug)betaling, de aanslag rioolrechten 1996 1e termijn ad ƒ 981.071,-- vanaf 19 juni 1997 tot aan de dag van de (terug)betaling, de aanslag rioolrechten 1996 2e termijn ad ƒ 981.071,-- vanaf de dag van haar betaling 5 juli 1996 tot aan de dag van (terug)betaling, de aanslag rioolrechten 1996 3e termijn ad ƒ 981.073,-- vanaf de dag van haar betaling 6 september 1996 tot aan de dag van de (terug)betaling.

Tegen de Ambtenaar is verstek verleend.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 6 maart 1998 Philips niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Tegen dit vonnis heeft Philips hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij arrest van 17 december 1998 heeft het Hof het bestreden vonnis, met verbetering van gronden, bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft Philips beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de Ambtenaar is verstek verleend.

De zaak is voor Philips namens haar advocaat toegelicht door mr. V.-P. Aarts, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander Hof.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer onder 1.1.

3.2 In dit geding heeft Philips gevorderd, kort weergegeven, dat de Ambtenaar zal worden veroordeeld om aan Philips met betrekking tot de voormelde aanslagen over 1994, 1995 en 1996 alsnog algeheel uitstel van betaling te verlenen totdat de belastingkamer van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch zal hebben beslist op de terzake door Philips ingestelde beroepen en voorts om hetgeen door Philips is betaald aan haar terug te betalen met vergoeding van de wettelijke rente daarover.

De Rechtbank heeft Philips niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.

3.3 Het Hof heeft in rov. 4.5 van zijn arrest zijn beslissing naar de kern hierop gegrond dat Philips geen gebruik heeft gemaakt van “de door de Ambtenaar aangegeven beroepsmogelijkheid bij het College van Burgemeester en Wethouders”.

Aldus overwegende heeft het Hof evenwel miskend dat noch bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet of de Algemene wet bestuursrecht, noch bij of krachtens enige andere wettelijke regeling een beroepsmogelijkheid is gegeven tegen de beslissing van de Ambtenaar op een verzoek om uitstel van betaling, en dat zodanige beroepsmogelijkheid ook niet bestaat doordat de Ambtenaar de Leidraad Invordering 1990 analoog heeft toegepast of doordat deze, zoals hij heeft aangevoerd, een adequate voorziening heeft gecreëerd. Dit brengt mee dat Philips, ook zonder de door de Ambtenaar aangegeven “beroepsmogelijkheid” te hebben benut, zich ter zake van de weigering uitstel van betaling te verlenen tot de burgerlijke rechter kon wenden. Onderdeel 2 is derhalve gegrond.

3.4 Het Hof heeft geoordeeld dat feitelijk onjuist is de stelling van Philips dat op de verzoeken tot uitstel niet is beslist, en het heeft op grond daarvan in het midden gelaten of de Ambtenaar de verzoeken om ontheffing uit 1994, 1995 en 1996 had moeten opvatten als verzoeken om uitstel van betaling. Onderdeel 1 bestrijdt dit oordeel van het Hof als onbegrijpelijk, nu uitsluitend is beslist op de verzoeken tot uitstel van betaling die zijn gedaan hangende het beroep bij de belastingkamer van het Hof.

De gegrondbevinding van onderdeel 2 brengt mee dat onderdeel 1 eveneens gegrond is. Het Hof had immers, uitgaande van het ontbreken van een beroepsmogelijkheid, behoren te onderzoeken of de Ambtenaar de genoemde verzoeken, voor zover deze zijn gedaan hangende het bezwaar en daarop niet is beslist, had moeten opvatten als verzoeken om uitstel van betaling en of hij deze verzoeken had moeten inwilligen.

3.5 De onderdelen 3 en 4, die subsidiair zijn voorgesteld, behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 17 december 1998;

verwijst het geding naar dat Hof ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Ambtenaar in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Philips begroot op ƒ 9.594,64 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, H.A.M. Aaftink, A. Hammerstein, en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 22 december 2000.