Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA9137

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-12-2000
Datum publicatie
28-02-2002
Zaaknummer
R00/058HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA9137
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 87, geldigheid: 2000-12-22
Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid XVI, geldigheid: 2000-12-22
Wet op de rechterlijke organisatie 43a, geldigheid: 2000-12-22
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 156, geldigheid: 2000-12-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 663
NJ 2001, 66
RvdW 2001, 12
JWB 2000/259

Uitspraak

22 december 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R00/058HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. W.I. Wisman,

t e g e n

DE GEMEENTE AMSTELVEEN, gevestigd te Amstelveen,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 5 augustus 1998 ter griffie van het Kantongerecht te Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar en verzocht te bepalen dat door de Gemeente op verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - ter zake van kosten van bijstand in de vorm van een renteloze geldlening terstond kan worden ingevorderd een totaalbedrag van ƒ 2.834,60.

[Verzoeker] heeft het verzoek bestreden.

De Kantonrechter heeft bij beschikking van 11 juni 1999 het verzoek van de Gemeente geheel toegewezen.

Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Amsterdam.

Bij beschikking van 8 maart 2000 heeft de Rechtbank de beschikking waarvan beroep bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen.

De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Gemeente heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot vernietiging van de beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het Hof van het ressort.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Wat betreft de feiten en het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar punt 1 van de conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer.

3.2 In het onderhavige geval is het inleidend verzoekschrift tot terugbetaling van aan [verzoeker] verleende leenbijstand ingediend na 30 juni 1997. Dit brengt mee dat ingevolge het bepaalde in art. XVI lid 2 van de Wet van 25 april 1996, Stb. 248 (Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid) de Kantonrechter bevoegd is kennis te nemen van dat verzoek, indien het besluit tot terugvordering is bekend gemaakt vóór 1 juli 1997. Indien zulk een besluit is bekend gemaakt op of na 1 juli 1997 dan dient de Gemeente de bestuursrechtelijke procedure te volgen. Immers, alsdan levert het besluit tot terugvordering ingevolge het bepaalde in art. 87 lid 1 Abw een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tegen welk besluit de belanghebbende slechts kan opkomen door het volgen van de bestuursrechtelijke procedure van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissend voor de vraag of in het onderhavige geval de Kantonrechter bevoegd was kennis te nemen van het op 5 augustus 1998 ingediende verzoekschrift of dat de bestuursrechtelijke procedure gevolgd had moeten worden, is derhalve of het besluit tot terugvordering bekend is gemaakt vóór dan wel op of na 1 juli 1997. Daaromtrent is door de Kantonrechter en de Rechtbank niets vastgesteld en ook uit de stukken van het geding blijkt daarvan niet. De Rechtbank had mitsdien, nu zij ook zonder dat een daartoe strekkende grief tegen het vonnis van de Kantonrechter was gericht had behoren te beoordelen of de Kantonrechter wel bevoegd was kennis te nemen van het onderhavige geschil, moeten nagaan of het besluit tot terugvordering vóór dan wel op of na 1 juli 1997 bekend was gemaakt. De hierop gerichte klachten zijn derhalve gegrond.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 8 maart 2000;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Amsterdam.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, A.E.M. van der Putt-Lauwers en H.A.M. Aaftink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 22 december 2000.