Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA9098

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2000
Datum publicatie
09-01-2003
Zaaknummer
35576
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA9098
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 73, geldigheid: 2000-12-20
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 8, geldigheid: 2000-12-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 1925 met annotatie van Boxem
FED 2001/41
BNB 2001/192
FED 2001/378
WFR 2001/30, 1
V-N 2001/3.5

Uitspraak

Nr. 35576

20 december 2000

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (België) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 16 juli 1999 betreffende de hem voor het jaar 1995 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1995, voor de periode 1 oktober tot en met 31 december, een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar binnenlands inkomen van f 19.224,--. Het door belanghebbende tegen de aanslag gemaakte bezwaar is door de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 18.235,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 26 mei 2000 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende, gehuwd en van de Nederlandse nationaliteit, was in 1995 in Nederland in loondienst werkzaam. Tot 1 oktober 1995 woonde hij in Nederland. Op die datum is hij verhuisd naar België, waar hij een huis had laten bouwen. Ter financiering van de aankoop en de bouw van de woning heeft belanghebbende in 1995 bij een bank een hypothecaire lening gesloten. Ter zake van die lening heeft belanghebbende in de periode 1 oktober tot en met 31 december 1995 ƒ 3.481,-- aan rente betaald, terwijl de forfaitaire huurwaarde van deze eigen woning, bedoeld in artikel 42a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, voor die periode f 1.540,-- bedroeg. Het wereldinkomen van belanghebbende en zijn echtgenote in de genoemde periode was voor meer dan 90 percent onderworpen aan Nederlandse inkomstenbelasting.

3.2. Voor het Hof was in geschil of het saldo van de in de periode 1 oktober tot en met 31 december betaalde hypotheekrente en de huurwaarde eigen woning in die periode ten laste van het door Nederland te belasten inkomen kon worden gebracht.

3.3. Het Hof heeft de Inspecteur in het gelijk gesteld. Het heeft daarbij geoordeeld dat Nederland op grond van artikel 73D, lid 1, letter a, van het EG-verdrag (thans artikel 58, lid 1, letter a, EG) een onderscheid mag maken tussen belastingplichtigen die in een verschillende situatie verkeren met betrekking tot de plaats waar hun kapitaal wordt belegd, en dat onder deze bepaling ook valt het verwerven en exploiteren van een onroerende zaak voor respectievelijk door zelfbewoning. Bij de vaststelling van het door Nederland te belasten inkomen behoeft volgens het Hof daarom geen rekening te worden gehouden met het negatieve saldo van de inkomsten uit de in België gelegen eigen woning.

3.4. Belanghebbende heeft in cassatie twee middelen aangevoerd. Deze houden in dat het Hof ten onrechte heeft beslist dat artikel 73D, lid 1, letter a, van het EG-verdrag ook van toepassing is op het aankopen en exploiteren van een onroerende zaak ter zelfbewoning. Bovendien zijn volgens belanghebbende de artikelen 6, 8 en 8a van het EG-verdrag (thans de artikelen 12, en na wijziging 17 en 18 EG) van toepassing. Het in deze bepalingen opgenomen algemene discriminatieverbod verplicht volgens belanghebbende Nederland de desbetreffende hypotheekrente in aftrek toe te laten.

Belanghebbende wordt in zijn visie ongelijk behandeld ten opzichte van een inwoner van Nederland die uitsluitend zijn werkzaamheden verlegt en eveneens 90 percent van zijn belaste wereldinkomen in Nederland genereert.

3.5. Dienaangaande heeft het volgende te gelden.

3.5.1. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in zijn arrest van 21 september 1999, C-307/97, BNB 2000/75 (Saint-Gobain) overwogen dat bij gebreke van unificatie- of harmonisatiemaatregelen, met name ter uitvoering van artikel 220, tweede streepje, EG-Verdrag (thans artikel 293, tweede streepje, EG), de lidstaten bevoegd blijven om de criteria voor de belasting van het inkomen en het vermogen vast te stellen teneinde, in voorkomend geval door het sluiten van een verdrag, dubbele belastingen af te schaffen. Daarbij staat het de lidstaten vrij om in het kader van bilaterale verdragen ter vermijding van dubbele belasting de aanknopingsfactoren ter verdeling van de heffingsbevoegdheid vast te stellen (zie in dezelfde zin het arrest van 12 mei 1998, C-336/96, BNB 1998/305 (Gilly), punten 24 en 30). In het arrest van genoemd Hof van 15 mei 1997, nr. C-250/95, V-N 1997, blz. 4242, punt 27 (Futura Participations S.A.) is overwogen dat er geen sprake is van een zichtbare of verkapte discriminatie op grond van nationaliteit, indien een land voor de berekening van de maatstaf van heffing voor de niet-ingezeten belastingplichtigen alleen de winsten en verliezen uit de activiteiten in het desbetreffende land in aanmerking neemt.

3.5.2. In het belastingverdrag tussen Nederland en België van 19 oktober 1970 is in artikel 6 bepaald dat de inkomsten uit onroerende zaken mogen worden belast in de staat waar deze onroerende zaken zijn gelegen. Verder is in artikel 15 van dat verdrag bepaald dat salarissen, lonen en andere, soortgelijke beloningen - hier niet ter zake doende uitzonderingen daargelaten - mogen worden belast in de staat waar de dienstbetrekking wordt uitgeoefend. In beide bepalingen hebben Nederland en België ter voorkoming van dubbele belastingheffing de heffingsbevoegdheid verdeeld overeenkomstig de bepalingen van het OESO-modelverdrag van 1963. Gezien de genoemde jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen kan, naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, niet worden gezegd dat deze verdeling van de heffing een zichtbare of verkapte discriminatie op grond van nationaliteit oplevert, ook niet nu Nederland bij de heffing over het door Nederland te belasten inkomen van inwoners van België geen rekening houdt met negatieve bestanddelen van het inkomen, welke volgens het verdrag ter heffing zijn toegewezen aan België, zoals de negatieve inkomsten uit de in België gelegen eigen woning. Dat is niet anders indien, zoals in een geval als het onderhavige, 90 percent of meer van het te belasten inkomen ter heffing aan Nederland is toegewezen, aangezien niet gezegd kan worden dat de belastingvermindering als gevolg van de negatieve inkomsten uit de in België gelegen eigen woning een voordeel is dat voortvloeit uit het in aanmerking nemen van de persoonlijke en gezinssituatie.

3.6. De uitspraak van het Hof is derhalve juist, wat er zij van de door het Hof daartoe gebezigde gronden. De middelen falen mitsdien.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 20 december 2000 vastgesteld door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren A.G. Pos, D.H. Beukenhorst, L. Monné en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.