Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA9096

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2000
Datum publicatie
15-08-2001
Zaaknummer
35278
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA9096
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 8, geldigheid: 2000-12-20
Wet op de omzetbelasting 1968 27, geldigheid: 2000-12-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 143 met annotatie van Houtzager
BNB 2001/125
FED 2001/40
WFR 2001/30
V-N 2001/3.21

Uitspraak

Nr. 35278

20 december 2000

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 12 maart 1999 betreffende na te melden aan de coöperatie X b.a. te Z opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1988 tot en met 31 december 1992 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 2.873.799,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd, en de naheffingsaanslag heeft verminderd tot ƒ 927.255,-- aan enkelvoudige belasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 29 juni 2000 geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.

Belanghebbende heeft een schriftelijke reactie op die conclusie gegeven.

3. Beoordeling van het middel van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende, een coöperatie, houdt zich onder meer bezig met de verwerving van melk van leden en derden en het verkopen van melk en melkproducten.

In de jaren 1990 tot en met 1992 heeft krachtens besluit van de algemene vergadering belanghebbende haar leden verplicht door middel van certificaten deel te nemen in het eigen vermogen van belanghebbende naar rato van de waarde van de over het desbetreffende boekjaar door hen aan belanghebbende geleverde melk. Belanghebbende heeft ten behoeve van haar leden aan de stortingsplicht op de certificaten voldaan door aanwending van een deel van het positieve saldo van haar exploitatierekening over een boekjaar.

Belanghebbende heeft zich bij het doen van aangiften op het standpunt gesteld dat vorenbedoelde stortingen op certificaten zijn te begrijpen onder het aan haar in rekening gebrachte bedrag als bedoeld in artikel 27, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst 1990-1992; hierna: de Wet) en zij heeft van die bedragen onderscheidenlijk 4,9 (1990 en 1991) en 5 (1992) percent op de voet van artikel 15 van de Wet, in totaal een bedrag van ƒ 1.946.544,--, in aftrek gebracht. De Inspecteur heeft, zich op het standpunt stellende dat dit bedrag niet voor aftrek in aanmerking komt, dit bedrag begrepen in de onderhavige naheffingsaanslag.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat een uitdeling van haar positieve exploitatieresultaat door een coöperatie aan haar leden, indien deze uitdeling - gelijk te dezen - plaatsvindt naar rato van de door de leden geleverde melk, dient te worden aangemerkt als een vergoeding ter zake van de levering door die leden van die melk in de zin van artikel 8, lid 2, van de Wet en alsdan - voorzover in rekening gebracht in het desbetreffende tijdvak - als het in rekening gebrachte bedrag in de zin van artikel 27, lid 4, van de Wet.

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat door de plaatsing van de certificaten bij de leden een stortingsplicht tot de nominale waarde van de desbetreffende certificaten ontstond en dat, nu belanghebbende dat recht op storting tot het nominale bedrag heeft prijsgegeven en voldaan heeft geacht door verrekening met winstuitdelingen aan haar leden tot hetzelfde bedrag, gezegd moet worden dat dit bedrag is aan te merken als onderdeel van de vergoeding ter zake van de geleverde melk.

Het middel voert aan dat de handelingen met betrekking tot de certificaten als één geheel moeten worden beschouwd en dat geen sprake is van uitgeven van certificaten, uitdeling van winst, storting en compensatie. Het middel wordt in zoverre terecht voorgesteld. De feiten laten geen andere conclusie toe dan dat sprake is van één transactie, te weten het uitreiken van certificaten. Nu deze certificaten - naar het Hof heeft geoordeeld en in cassatie niet wordt bestreden - zijn verstrekt ter zake van de levering van melk door de leden, dient de waarde ervan tot de vergoeding voor de levering van melk te worden gerekend. Het Hof is echter ten onrechte uitgegaan van de nominale waarde van de certificaten en niet van de waarde die de certificaten voor de leden vertegenwoordigen.

Gelet op het hiervóór overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor het vaststellen van laatstgenoemde waarde.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

De vraag of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend, zal door het verwijzingshof worden beoordeeld.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is op 20 december 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, A.E. de Moor, D.G. van Vliet en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.