Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA9093

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2000
Datum publicatie
28-01-2003
Zaaknummer
35769
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 1926 met annotatie van Van Beelen
BNB 2001/87
FED 2001/46
WFR 2001/32
V-N 2001/10.15

Uitspraak

Nr. 35769

20 december 2000

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 18 november 1999 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ¦ 51.434,--, welke aanslag, na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 51.434,-- met inachtneming van een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting met betrekking tot een buitenlands inkomen van ƒ 57.888,--. Vervolgens is aan belanghebbende over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ¦ 51.434,-- zonder vermindering ter voorkoming van dubbele belasting, met een verhoging van de nagevorderde belasting van 100 percent, van welke verhoging bij besluit van de Inspecteur kwijtschelding is verleend tot op 25 percent. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij gezamenlijke uitspraak de navorderingsaanslag en het kwijtscheldingsbesluit gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de navorderingsaanslag heeft verminderd met het bedrag van de daarin begrepen verhoging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende, gedurende het gehele jaar woonachtig in Nederland, was in het onderhavige jaar als deelvisser werkzaam aan boord van de onder Britse vlag varende viskotter ‘A’ (hierna: de kotter). De kotter viste in het onderhavige jaar onder gebruikmaking van de aan het Verenigd Koninkrijk toegewezen vangstcontingenten buiten een zone van 12 mijl uit de Britse kust.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 8 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland van 7 november 1980, Trb. 205 (hierna: het Verdrag) in het onderhavige geval niet van toepassing is, aangezien het uitsluitend ziet op voordelen uit de exploitatie van schepen (en luchtvaartuigen) in internationaal verkeer en niet op voordelen behaald uit visserij.

Blijkens de definitie van het begrip ‘internationaal verkeer’ in art. 3, lid 1, onderdeel i, van het Verdrag heeft art. 8 van het Verdrag betrekking op exploitatie in de vorm van internationaal vervoer met een schip (of luchtvaartuig). 's Hofs oordeel is derhalve juist. Voorzover het middel zich tegen dit oordeel richt, faalt het.

3.3. Het Hof heeft voorts met juistheid geoordeeld dat de door belanghebbende gerealiseerde winst uit onderneming - nu hij inwoner van Nederland is - gelet op artikel 7 van het Verdrag alleen dan niet in Nederland belastbaar is indien en voorzover zij kan worden toegerekend aan een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vaste inrichting. Voorzover het middel ervan uitgaat dat de vestigingsplaats van de vennootschap die eigenaar is van de kotter in dezen relevant is, faalt het daarom.

3.4. Voorzover het middel opkomt tegen 's Hofs oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van het gewoonlijk uitoefenen in het Verenigd Koninkrijk van een recht door een persoon om namens belanghebbende overeenkomsten te sluiten, faalt het. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk.

3.5. Het middel betoogt voor het overige dat onder de uitdrukking ‘Verenigd Koninkrijk’ in het Verdrag tevens de gebieden vallen waarvan de (visserij)jurisdictie toekomt aan het Verenigd Koninkrijk. Het middel kan ook in zoverre niet tot cassatie leiden, aangezien de stukken van het geding geen andere gevolgtrekking toelaten dan dat het onderhavige schip geen duurzame band met het territoir van het Verenigd Koninkrijk heeft en mitsdien voor belanghebbende geen vaste inrichting binnen het Verenigd Koninkrijk vormt.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is op 20 december 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet en P. Lourens in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hoof, en op die datum in het openbaar uitgesproken.