Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA9053

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
R00/042HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA9053
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2001/14
JOL 2000, 634
NJ 2001, 251
RvdW 2001, 2
Ondernemingsrecht 2001, 1
JWB 2000/252

Uitspraak

15 december 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R00/042HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

INTRAMCO EUROPE B.V., gevestigd te Almere,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. A.J. Swelheim.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 6 augustus 1999 ter griffie van het Kantongerecht te Lelystad ingediend verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: Intramco - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar en verzocht de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, primair vanwege een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW, subsidiair vanwege veranderingen in de omstandigheden als bedoeld in artikel 7:685 lid 2 BW.

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft het verzoek bestreden.

De Kantonrechter heeft bij beschikking van 22 oktober 1999, voor het geval Intramco haar verzoek niet tijdig intrekt, de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 8 november 1999 ontbonden, onder toekenning van een vergoeding aan [verweerder] van ƒ 90.500,-- bruto, alsmede het recht om conform hetgeen partijen daaromtrent zijn overeengekomen gebruik te maken van de optieregeling zoals vervat in de overeenkomst terzake van 4 september 1997, met veroordeling van Intramco tot betaling van voormelde vergoeding aan [verweerder], c.q. medewerking aan de uitoefening van voormeld recht door [verweerder], en het meer of anders verzochte afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft Intramco hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Zwolle.

Bij beschikking van 26 januari 2000 heeft de Rechtbank het hoger beroep tegen de beschikking van de Kantonrechter van 22 oktober 1999 ongegrond verklaard.

De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft Intramco beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van Intramco in haar cassatieberoep.

De advocaat van Intramco heeft bij brief van 20 september 2000 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 De Kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 8 november 1999 ontbonden en op de voet van art. 7:685 lid 8 BW aan [verweerder] na te melden vergoeding toegekend:

(a) een bedrag van ƒ 90.500,-- bruto;

(b) het recht om conform hetgeen partijen daaromtrent zijn overeengekomen gebruik te maken van de optieregeling zoals vervat in de overeenkomst terzake d.d. 4 september 1997.

De Kantonrechter heeft Intramco veroordeeld tot betaling van voormelde vergoeding aan [verweerder], c.q. medewerking aan de uitoefening van voormeld recht door [verweerder].

3.2 Intramco heeft in hoger beroep de grief aangevoerd dat de Kantonrechter door als vergoeding het recht toe te kennen om gebruik te maken van een optieregeling conform de tussen partijen bestaande overeenkomst, buiten het toepassingsgebied van art. 7:685 BW is getreden.

De Rechtbank heeft de bestreden beslissing aldus uitgelegd dat het de bedoeling van de Kantonrechter is geweest om [verweerder] het optierecht te laten uitoefenen als ware hij nog in dienst bij Intramco. De Rechtbank heeft voormelde grief verworpen en het hoger beroep ongegrond verklaard.

3.3 Het middel betoogt in onderdeel 1 dat de Rechtbank heeft miskend dat onder een vergoeding als bedoeld in art. 7:685 lid 8 BW niet kan worden begrepen het recht om gebruik te maken van een optieregeling conform hetgeen partijen daaromtrent zijn overeengekomen, in onderdeel 2 dat een beslissing omtrent dat recht een beslissing omtrent de optieovereenkomst zelf inhoudt, die het raamwerk van art. 7:685 BW te buiten gaat, en in onderdeel 3 dat een toepassing van art. 6:248 BW en/of art. 6:258 BW op een optieovereenkomst als de onderhavige niet behoort tot de in het kader van art. 7:685 BW uit te voeren toetsing en zich niet verdraagt met de ratio van de daarin neergelegde regeling.

3.4 De Rechtbank is in rov. 7 terecht ervan uitgegaan dat de bijzondere aard van de wettelijke regeling betreffende de arbeidsovereenkomst meebrengt dat in de regeling betreffende de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zoals neergelegd in art. 7:685 BW, het resultaat van de rechterlijke toetsing aan de eisen van redelijkheid en billijkheid in beginsel ten volle tot uitdrukking dient te komen in de hoogte van de vergoeding die de rechter, op de voet van het achtste lid van het artikel, met het oog op de omstandigheden van het geval naar billijkheid aan een der partijen ten laste van de wederpartij toekent, en dat het daarom gewenst is dat de rechter bij het vaststellen van de door hem toe te kennen vergoeding alle voor zijn billijkheidsoordeel relevante factoren meeweegt, waaronder ook de op het verlies van de uit de aandelenopties voortvloeiende voordelen gegronde aanspraak (HR 24 oktober 1997, nr. 16384, NJ 1998, 257).

3.5 Hiervan uitgaande heeft de Rechtbank een juist oordeel gegeven door aan te nemen dat de Kantonrechter bevoegd was aan [verweerder] bij wege van vergoeding in de zin van art. 7:685 lid 8 BW het recht toe te kennen om conform hetgeen partijen daaromtrent zijn overeengekomen gebruik te maken van de optieregeling zoals vervat in de daarop betrekking hebbende overeenkomst tussen partijen. Hieruit volgt dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Kantonrechter daardoor niet buiten het toepassingsgebied van art. 7:685 BW is getreden.

3.6 Het middel faalt derhalve in al zijn onderdelen, waarbij de vraag of de Kantonrechter een beslissing heeft gegeven over de optieovereenkomst zelf of een beslissing tot toekenning van een vergoeding overeenkomstig het bepaalde in die overeenkomst, geen beantwoording behoeft, daar dit voor de beoordeling van het middel geen verschil maakt.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Intramco in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 3.025,-- in totaal, waarvan ƒ 2.906,25 op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de Griffier, en ƒ 118,75 te voldoen aan [verweerder].

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, R. Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers en H.A.M. Aaftink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 15 december 2000.