Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA9047

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
R99/215HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA9047
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 16
Burgerlijk Wetboek Boek 2 242
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2001/1 met annotatie van prof. mr. F.J.P. van den Ingh
JOL 2000, 633
NJ 2001, 109
RvdW 2001, 1
Ondernemingsrecht 2001, 9
V-N 2001/11.38
JWB 2000/248

Uitspraak

15 december 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R99/215HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. R. Menschaert,

t e g e n

1. SQUAMISH CORPORATION N.V., gevestigd te Willemstad, Curaçao,

2. HOTEL MAATSCHAPPIJ LEIDEN B.V., gevestigd te Leiden,

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 20 oktober 1998 ter griffie van het Kantongerecht te Haarlem ingediend verzoekschrift hebben verweersters in cassatie - verder gezamenlijk te noemen: Squamish en HML - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar en verzocht doorhaling te gelasten van de inschrijving van eiser tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - van 11 mei 1998 als bestuurder van verweerster in cassatie sub 2 - verder te noemen: HML - in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Haarlem.

[Verzoeker] heeft het verzoek bestreden.

De Kantonrechter heeft bij beschikking van 30 maart 1999 doorhaling gelast van de inschrijving in het Handelsregister in dossier nummer 34096733 ten name van HML dat [verzoeker] per 11 mei 1998 als bestuurder in functie is getreden.

Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Haarlem.

Bij beschikking van 3 november 1999 heeft de Rechtbank de beschikking waarvan beroep bekrachtigd.

De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Squamish en HML hebben verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in dit geding om het volgende. Verweerster in cassatie onder 1 (verder afzonderlijk te noemen: Squamish) houdt alle aandelen in verweerster in cassatie onder 2 (verder afzonderlijk te noemen: HML). HML is in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam (kantoor Haarlem) ingeschreven. Op 20 mei 1998 heeft [verzoeker] opgegeven dat hij als bestuurder van HML in het Handelsregister moest worden ingeschreven. In het Handelsregister is ingeschreven dat [verzoeker] sedert 11 mei 1998 bestuurder is van HML. Nadien heeft [verzoeker] in het Handelsregister laten inschrijven dat hij met ingang van 2 juli 1999 de functie van bestuurder van HML heeft beëindigd.

Volgens art. 13 lid 2 van de statuten van HML worden bestuurders van de vennootschap benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders, zulks in overeenstemming met de hoofdregel van art. 2:242 BW.

Squamish c.s. hebben in dit geding verzocht dat de doorhaling zal worden gelast van de inschrijving van 20 mei 1998, inhoudende dat [verzoeker] met ingang van 11 mei 1998 als bestuurder van HML in functie is getreden. De Kantonrechter heeft het verzoek toegewezen. De Rechtbank heeft de tegen de beschikking van de Kantonrechter aangevoerde grieven verworpen.

3.2.1 Het middel richt klachten tegen de rov. 5.4 en 5.5 van de beschikking van de Rechtbank. In rov. 5.4 heeft de Rechtbank geoordeeld, kort weergegeven, dat de benoeming van [verzoeker] tot bestuurder van HML ingevolge art. 2:242 BW diende te geschieden door de algemene vergadering van aandeelhouders en dat, gelet op de aard van deze rechtshandeling, niet kan worden aanvaard dat, met terzijdestelling van art. 2:242, de benoeming van een bestuurder kan worden gerealiseerd door een beroep op de vertrouwensleer. In haar rov. 5.5 is de Rechtbank ingegaan op het betoog van [verzoeker] dat Squamish c.s. het recht hebben verwerkt om zich erop te beroepen dat [verzoeker] niet bij besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders is benoemd. De Rechtbank heeft dit beroep op rechtsverwerking verworpen.

Het middel bestrijdt niet het oordeel van de Rechtbank dat [verzoeker] niet bij een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van HML is benoemd.

3.2.2 De aard van de regel dat de benoeming van een bestuurder van een naamloze of besloten vennootschap geschiedt door de algemene vergadering van aandeelhouders, tenzij de benoeming geschiedt door de raad van commissarissen (art. 2:132 en 2:242 BW), brengt mee dat niet kan worden aanvaard dat degene die, ondanks het ontbreken van een dergelijk besluit, op grond van verklaringen of gedragingen van de vennootschap heeft aangenomen dat hij tot bestuurder van de vennootschap is benoemd, als bestuurder van de vennootschap moet worden aangemerkt. De aard van genoemde bepalingen verzetten zich evenzeer ertegen dat wordt aangenomen dat de vennootschap het recht kan verwerken zich ertegen te verzetten dat degene die, ondanks het ontbreken van een benoemingsbesluit, meent dat hij tot bestuurder van de vennootschap is benoemd als zodanig moet worden aangemerkt. Hierop stuiten de in het middel vervatte rechtsklachten af.

3.2.3 Voor zover het middel de voormelde oordelen bestrijdt met motiveringsklachten, falen deze omdat de oordelen van de Rechtbank niet onbegrijpelijk zijn en geen nadere motivering behoefden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Squamish c.s. begroot op ƒ 525,-- aan verschotten en ƒ 2.500,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, C.H.M. Jansen, J.B. Fleers en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 15 december 2000.