Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8976

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-11-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
01241/99
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA8976
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 november 2000

Strafkamer

nr. 01241/99

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van

de Arrondissementsrechtbank te Almelo van 29

juli 1999, parketnummer 08/401307-98, in de

strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op

[geboortedatum] 1955, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Kantonrechter te Enschede van 15 februari 1999 - de verdachte ter zake van “overtreding van het bepaalde bij artikel 2.4.17 aanhef en onder b van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Losser” veroordeeld tot een geldboete van negentig gulden, subsidiair één dag hechtenis.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Deze heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.

De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, doch uitsluitend ten aanzien van de kwalificatie, dat

de Hoge Raad het bewezenverklaarde feit zal kwalificeren als: “Overtreding van het bepaalde bij artikel 2.4.17 aanhef en tweede lid onder b van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de Gemeente Losser” en dat het beroep voor het overige zal worden verworpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de verdachte op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het tweede middel.

3.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat de Rechtbank het bewezenverklaarde onjuist heeft gekwalificeerd.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij "te De Lutte in de gemeente Losser, op 22 maart 1998, als eigenaar of houder van een hond, deze hond anders dan aangelijnd heeft laten lopen op of aan de Zandhuizerweg, gelegen in het gebied

Lutterzand, zijnde een voor het publiek toegankelijke en door burgemeester en wethouders aangewezen plaats".

3.3. De Rechtbank heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "overtreding van het bepaalde bij artikel 2.4.17 aanhef en onder b van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Losser".

3.4. Art. 2.4.17 van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Losser luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit als volgt:

“Het is de eigenaar of houder van een hond

verboden die hond te laten verblijven of te laten

lopen:

1. a. binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is;

b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door burgemeester en wethouders aangewezen plaats;

c. op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband

of een door middel van tatoeage aangebracht identifi-

catiemerk, die de eigenaar of houder duidelijk doen

kennen.

2. Burgemeester en wethouders kunnen andere plaatsen

aanwijzen waar het naar hun oordeel:

a. een eigenaar of houder van een hond verboden is

die hond te laten verblijven of te laten lopen;

b.een eigenaar of houder van een hond verboden is

die hond te laten verblijven of te laten lopen zonder dat deze is aangelijnd”.

3.5. Gelet op de hiervoor onder 3.2 vermelde bewezenverklaring en de onder 3.4 weergegeven tekst van de te dezen toepasselijke APV-bepaling, is de kwalificatie die de Rechtbank aan de bewezenverklaring heeft gegeven minder juist. Deze behoort te luiden:

“Overtreding van een voorschrift, gegeven bij

artikel 2.4.17, aanhef en onder 2 sub b, van de

Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Losser”.

3.6. De kwalificatie behoeft dus verbetering. Voorzover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.

3.7. Voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere

motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het eerste en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit

behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu vernietiging op grond van het tweede middel slechts tot de hierna te vermelden verbetering leidt, terwijl de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet worden beslist als volgt.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend

voor wat betreft de kwalificatie van het bewezenverklaarde;

Kwalificeert het bewezenverklaarde feit als “Overtreding van een voorschrift, gegeven bij artikel 2.4.17, aanhef en onder 2 sub b, van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Losser”;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 28 november 2000.