Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8974

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-11-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
00900/99
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA8974
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 237
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 593
NJ 2001, 49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 november 2000

Strafkamer

nr. 00900/99

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van

het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 21

april 1999 in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats]

(Filippijnen) op [geboortedatum] 1956, wonende

te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 17 juni 1998 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1. tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 2. “opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst meermalen gepleegd” en 3. “opzettelijk een dubbel huwelijk aangaan” en “een huwelijk aangaan wetende dat de wederpartij daardoor een dubbel huwelijk aangaat” veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte.

Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde feit. Het betoogt dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte wist dat [betrokkene A] met hem een dubbel huwelijk aanging.

3.2. Ingevolge art. 237, eerste lid aanhef en onder 1°, Sr is strafbaar “hij die opzettelijk een dubbel huwelijk aangaat”, terwijl onder 2° van die bepaling strafbaar wordt gesteld “hij die een huwelijk aangaat, wetende dat de wederpartij daardoor een dubbel huwelijk aangaat”.

3.3. Het middel stelt de vraag aan de orde of onder de in voormelde bepaling voorkomende woorden “wetende dat” mede voorwaardelijk opzet is begrepen. Die vraag moet bevestigend worden beantwoord. Blijkens de Memorie van Toelichting op art. 237 Sr is voor de toepasselijkheid van dit artikel vereist “het opzet tot bigamie, de wetenschap dus dat het vroeger huwelijk nog bestaat (...)” (vgl. H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, 1881, Tweede deel, blz. 270). Met betrekking tot het begrip “opzet” houdt de wetsgeschiedenis ten aanzien van het gekozen voorbeeld van bigamie voorts in dat hieronder voorwaardelijk opzet is begrepen en dat het opzet “dan ook juist hierin (bestaat) dat hij een huwelijk aangaat, zonder zich te hebben verzekerd dat het vroegere huwelijk ontbonden of nietig verklaard is”. Daarbij is opgemerkt dat de “bigaam” nooit de zekerheid heeft dat zijn vroegere huwelijk nog bestaat omdat zijn eerste echtgenote een ogenblik tevoren overleden kan zijn. (vgl. H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, 1881, Eerste deel, blz. 74 en 75). De laatstweergegeven zinsneden zien weliswaar op degene die zelf een dubbel huwelijk aangaat in de zin van art. 237, eerste lid aanhef en onder 1°, Sr, maar redelijke wetstoepassing brengt mee dat hetzelfde geldt voor “de wetenschap” van het dubbel huwelijk als bedoeld in art. 237, eerste lid aanhef en onder 2°, Sr, in aanmerking genomen dat voor dat geval dezelfde redengeving geldt als de wetgever heeft geuit bij art. 237, eerste lid aanhef en onder 1°, Sr. Gelet op het voorgaande is derhalve onder “weten” dat de wederpartij een dubbel huwelijk aangaat in de zin van art. 237, eerste lid aanhef en onder 2°, Sr begrepen de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat die wederpartij eerder gehuwd is en dat dat eerdere huwelijk nog steeds geldig is.

3.4. Het Hof heeft blijkens de gebezigde

bewijsmiddelen vastgesteld:

- dat de verdachte op 3 augustus 1990 te Manila is getrouwd met [betrokkene A];

- dat [betrokkene A] op 3 mei 1975 te Manila is getrouwd met [betrokkene B], de broer van de verdachte;

- dat de verdachte bij het huwelijk van [betrokkene A] met [betrokkene B] - als “best man” - aanwezig is geweest;

- dat blijkens informatie van de Nederlandse ambassade te Manila het op de Filippijnen niet mogelijk is om te scheiden, maar dat men een huwelijk wel kan annuleren en dat het huwelijk van [betrokkene A] en [betrokkene B] niet is geannuleerd.

Het Hof heeft klaarblijkelijk geoordeeld, welk oordeel niet onbegrijpelijk is, dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [betrokkene A] nog gehuwd was toen hij met haar in het huwelijk trad.

3.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat de bewezenverklaring onder 3, ook voor wat betreft het in het middel bedoelde onderdeel daarvan, naar behoren is gemotiveerd. Dat brengt mee dat het middel tevergeefs is voorgesteld.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president

C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren

A.M.J. van Buchem-Spapens en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 21 november 2000.