Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8966

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-12-2000
Datum publicatie
04-11-2002
Zaaknummer
01899/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA8966
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 673
NJ 2002, 516

Uitspraak

12 december 2000

Strafkamer

nr. 01899/00

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 3

juni 1999, parketnummer 21/002609-98, alsmede tegen alle op de terechtzitting

van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [woonplaats] (Groot-Brittannië) op [geboorteplaats] 1966,

zonder bekende woonplaats hier te lande, ten tijde van de bestreden uitspraak

verblijvende in het Huis van Bewaring “Karelskamp” te Almelo.

1. De bestreden einduitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 22 december 1998 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1 subsidiair “medeplichtigheid aan: doodslag”, 2. “zware mishandeling” en 3. “mishandeling, meermalen gepleegd” veroordeeld tot twaalf jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld.

1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte.

Namens deze heeft mr. M.J. Verwers, advocaat te Wageningen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat het Hof het begrip medeplichtigheid onjuist heeft uitgelegd door bij gebreke van een aan de zijde van de verdachte bestaande plicht tot ingrijpen de verdachte toch schuldig te achten aan medeplichtigheid aan doodslag.

3.2.1. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 mei 1999 gehechte pleitnota houdt in dat door de verdediging het verweer is gevoerd dat de verdachte geen bijzondere hoedanigheid had op grond waarvan op hem een bijzondere zorgplicht rustte voor het leven, de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van het slachtoffer waardoor hij was gehouden maatregelen te nemen ter voorkoming van gedragingen van de medeverdachte [..] die de gezondheid en het leven van het slachtoffer rechtstreeks bedreigden.

3.2.2. Dit verweer is niet van louter feitelijke aard. Daarin wordt tevens de rechtsvraag aan de orde gesteld of - indien wordt uitgegaan van de in voormeld betoog van de raadsman gestelde feiten - bij gebreke van een dergelijke bijzondere rechtsplicht van medeplichtigheid kan worden gesproken. Daarom had het Hof bij de kwalificatiebeslissing nader behoren te motiveren waarom het van oordeel was dat die vraag bevestigend diende te worden beantwoord. Dat behoeft evenwel op grond van het navolgende niet tot cassatie te leiden.

3.3. Het Hof heeft immers in het verkorte arrest, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, onder het hoofd “Oplegging van straf en/of maatregel” onder meer het volgende overwogen:

“Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan langdurig en op grove wijze gepleegd geweld tegen

[het slachtoffer].

Het slachtoffer was drie maanden voor zijn dood met verdachte bij de medeverdachte in huis komen wonen. In die periode werd het slachtoffer door met name verdachte stelselmatig en bijzonder grof mishandeld, vernederd en financieel misbruikt.

Verdachte heeft [het slachtoffer] meermalen op beestachtige wijze (o.a. met een stuk van een trapleuning) mishandeld, dusdanig dat deze uiteindelijk niet meer kon lopen en incontinent werd. Ondanks dat het slachtoffer dringend medische verzorging behoefde heeft verdachte nagelaten om datgene te doen wat van ieder weldenkend mens in die omstandigheden mag worden verwacht, namelijk het inroepen van hulp. In plaats daarvan heeft de verdachte in stuitende onverschilligheid [het slachtoffer] in deplorabele toestand aan zijn lot overgelaten.

Zodoende heeft de verdachte een klimaat gecreëerd waarin het slachtoffer langzaam maar zeker de dood in is gedreven. Uiteindelijk heeft medeverdachte [..] zo hard en langdurig in het gezicht en tegen het hoofd van de al zwaargewonde en weerloze [slachtoffer] geschopt en geslagen, dat deze daaraan is overleden.

Verdachte is tegen dit laatste, voor het slachtoffer fatale geweld niet of niet noemenswaard opgetreden, maar heeft min of meer toegekeken hoe het slachtoffer werd doodgeschopt.

Uit de gedragingen van verdachte spreekt een houding die getuigt van het ontbreken van ieder respect voor de persoon en het leven van het slachtoffer”.

3.4. In de hiervoor weergegeven overwegingen heeft het Hof - overeenkomstig hetgeen kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen - vastgesteld dat de verdachte wist dat het slachtoffer, tevens zijn huisgenoot, volstrekt weerloos was. Nu het Hof tevens heeft vastgesteld dat die weerloosheid door de verdachte was veroorzaakt, heeft het Hof kennelijk en terecht geoordeeld dat daardoor op de verdachte de rechtsplicht was komen te rusten om het slachtoffer te beschermen tegen het door [medeverdachte] in de woning van de verdachte en in diens bijzijn jegens het slachtoffer gepleegde geweld. De klacht faalt dus.

3.5. Het middel behelst voorts de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen het hier vereiste opzet niet kan worden afgeleid.

3.6. Ook deze klacht slaagt niet. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verdachte door

in strijd met zijn hiervoor onder 3.4 bedoelde plicht

niet of niet noemenswaard op te treden tegen het door [medeverdachte] jegens het slachtoffer gepleegde geweld, dat geweld opzettelijk heeft toegelaten en dat hij voorts, gelet op de aard van dat geweld en de, hem bekende, deplorabele toestand van het slachtoffer, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer door dat geweld zou komen te overlijden, zodat de verdachte daaraan medeplichtig is geweest.

3.7. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak - voorzover aan zijn oordeel onderworpen - ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren

F.H. Koster, G.J.M. Corstens, A.M.J. van Buchem-Spapens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 12 december 2000.