Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8925

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-12-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
R00/023HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA8925
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 420, geldigheid: 2000-12-08
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 429d, geldigheid: 2000-12-08
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 429o, geldigheid: 2000-12-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 617
NJ 2001, 269
EB 2001, 29
JWB 2000/244

Uitspraak

8 december 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R00/023HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoekster], wonende te [woonplaats A],

VERZOEKSTER tot cassatie, incidenteel verweerster,

advocaat: mr. P.S. Kamminga,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats B],

VERWEERDER in cassatie, incidenteel verzoeker,

advocaat: mr. P. Garretsen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 3 april 1997 gedateerd verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot de Rechtbank te Alkmaar en verzocht om tussen hem en verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - echtscheiding uit te spreken.

De vrouw heeft het echtscheidingsverzoek niet bestreden, doch harerzijds verzocht de man te veroordelen tot betaling van een bijdrage in haar levensonderhoud van ƒ 7.500,-- per maand.

De man heeft tegen het alimentatieverzoek van de vrouw verweer gevoerd.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 20 november 1997 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en met betrekking tot het levensonderhoud de vrouw tot bewijslevering toegelaten. Na enquête en contra-enquête heeft de Rechtbank voorts bij eindbeschikking van 25 februari 1999 bepaald dat de man met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven, aan de vrouw een bedrag van ƒ 2.100,-- per maand zal betalen als bijdrage in haar levensonderhoud, met dien verstande dat de kosten van niet vrijwillige nakoming voor rekening van de bijdrageplichtige komen, met afwijzing van het meer of anders verzochte.

Tegen deze eindbeschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Na verweer door de vrouw heeft het Hof bij beschikking van 16 december 1999 voormelde eindbeschikking van de Rechtbank vernietigd, de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud bepaald op ƒ 350,-- per maand, en het meer of anders verzochte afgewezen.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De man heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende het incidenteel beroep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels strekt in het principaal beroep tot vernietiging van het bestreden arrest (lees: de bestreden beschikking) en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, en in het incidenteel beroep tot verwerping van dat beroep.

3. Beoordeling van het middel in het principaal beroep

3.1 De onderhavige zaak betreft een door de vrouw in verband met een tussen partijen uitgesproken echtscheiding ingediend verzoek, strekkende tot het vaststellen van een uitkering tot haar levensonderhoud ten laste van de man ten bedrage van ƒ 7.500,-- per maand, welk verzoek door de man is bestreden.

3.2 Dienaangaande heeft de Rechtbank bij beschikking van 20 november 1997 de vrouw omtrent de inkomsten aan de zijde van de man tot bewijslevering toegelaten. Na vervolgens getuigen te hebben gehoord, heeft de Rechtbank bij eindbeschikking van 25 februari 1999 geoordeeld dat de vrouw erin was geslaagd te bewijzen dat aan de zijde van de man een inkomen van minstens ƒ 4.766,-- (bruto) per maand werd genoten, en op grond daarvan bepaald dat de man een uitkering van ƒ 2.100,-- per maand aan de vrouw zal betalen, daartoe nog overwegende dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, de aldus door haar bepaalde uitkering "geheel in overeenstemming (…) met de wettelijke maatstaven" is.

3.3 De man is hiervan in hoger beroep gekomen. Daarbij heeft hij drie grieven aangevoerd, waarvan hij de eerste heeft ingetrokken bij de mondelinge behandeling. Grief II was gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat de vrouw (gedeeltelijk) was geslaagd in de bewijslevering omtrent de inkomsten aan de zijde van de man. Grief III had betrekking op het verweer van de man dat hier sprake was van een samenleving als bedoeld in art. 1:160 BW en klaagde erover dat de man (in verband daarmee) ten onrechte als alimentatieplichtig was aangemerkt.

3.4 Het Hof heeft, wat dit laatste betreft, geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat zich hier een situatie als bedoeld in art. 1:160 BW voordoet en heeft voorts, wat de bewijslevering omtrent de inkomsten aan de zijde van de man betreft, het oordeel van de Rechtbank dat deze inkomsten minstens op ƒ 4.766,-- per maand moeten worden gesteld, onderschreven. Desondanks heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank vernietigd en de uitkering tot levensonderhoud alsnog op ƒ 350,-- per maand bepaald, daartoe overwegende dat dit "in overeenstemming met de wettelijke maatstaven" is (rov. 3.4).

3.5 In onderdeel A van het middel wordt terecht erover geklaagd dat het Hof aldus de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep heeft overschreden. De door de man bij het Hof aangevoerde grieven, zoals hiervoor in 3.3 vermeld, laten immers geen andere uitleg toe dan dat hij de vraag of de in eerste aanleg vastgestelde uitkering tot levensonderhoud "in overeenstemming met de wettelijke maatstaven" is, welke vraag de Rechtbank uitdrukkelijk bevestigend had beantwoord, in hoger beroep niet aan de orde heeft gesteld. De beschikking van het Hof behoort derhalve op die grond te worden vernietigd. Onderdeel B van het middel behoeft, in dit licht bezien, geen behandeling meer.

4. Beoordeling van het middel in het incidenteel beroep

4.1 Het middel is gericht tegen de verwerping van het hiervoor in 3.3 vermelde verweer van de man dat hier sprake was van een samenleving als bedoeld in art. 1:160 BW (rov. 3.2 van de bestreden beschikking).

4.2 De in dit middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu deze klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Verdere afdoening van de zaak

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Uit het vorenstaande blijkt dat alle in hoger beroep aangevoerde grieven door het Hof ongegrond zijn bevonden en dat dit oordeel in cassatie standhoudt. De beschikking van de Rechtbank behoort derhalve te worden bekrachtigd.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principaal beroep:

vernietigt de beschikking van het Hof te Amsterdam van 16 december 1999;

bekrachtigt de beschikking van de Rechtbank te Alkmaar van 25 februari 1999;

in het incidenteel beroep:

verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, J.B. Fleers en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 8 december 2000.