Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8922

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-12-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
C99/078HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA8922
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 179, geldigheid: 2000-12-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 630
NJ 2001, 56
RvdW 2000, 251
JWB 2000/242

Uitspraak

8 december 2000

Eerste Kamer

Nr. C99/078HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. L.S.J. de Korte,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 26 mei 1994 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Rotterdam en - na vermindering van eis - gevorderd [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] te betalen (a) voor salaris en overwerkvergoeding een bruto bedrag van ƒ 16.042,07, (b) de wettelijke verhoging over dit bedrag ad ƒ 2.406,30, (c) ter zake van niet betaalde vakantiebonnen een bedrag van ƒ 8.347,13 en (d) de wettelijke rente over alle voormelde bedragen vanaf de dag van opeisbaarheid daarvan, althans vanaf de dag van de dagvaarding.

[Verweerder] heeft de vordering bestreden.

De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 15 november 1994 [verweerder] tot bewijslevering toegelaten en een comparitie van partijen gelast.

Bij eindvonnis van 30 mei 1995 heeft de Kantonrechter [verweerder] veroordeeld om aan [eiser] te betalen (a) de som van ƒ 3.300,-- bruto ter zake van vergoeding overwerk en wettelijke verhoging, (b) de som van ƒ 6.300,-- bruto ter zake van de waarde van niet ontvangen vakantiebonnen en (c) welke sommen moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 november 1993. Het meer of anders gevorderde heeft de Kantonrechter ontzegd.

Tegen dit eindvonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Rotterdam.

Bij tussenvonnis van 19 december 1996 heeft de Rechtbank [verweerder] tot bewijslevering toegelaten en na enquête bij eindvonnis van 12 november 1998 het bestreden eindvonnis van de Kantonrechter bekrachtigd.

Het eindvonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindvonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerder] is verstek verleend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van [eiser] in de kosten.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

(i) [Eiser] is op 1 april 1993 bij [verweerder] in dienst getreden als agrarisch medewerker. Op de arbeidsovereenkomst was de CAO voor de Tuinbouw 1993/1995 van toepassing.

(ii) [Verweerder] heeft [eiser] tegen 27 november 1993 zonder toestemming van de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening (RDA) ontslagen omdat er geen werk meer voor hem was. [Verweerder] heeft vervolgens zijn bedrijfsactiviteiten beëindigd.

(iii) [Eiser] heeft de nietigheid van dit ontslag ingeroepen bij brief van 30 november 1993.

(iv) De Kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst - voorzover deze nog mocht bestaan - op verzoek van [verweerder] per 15 maart 1994 ontbonden.

3.2 [Eiser] heeft in dit geding in eerste aanleg gevorderd hetgeen onder 1 is weergegeven. In cassatie is alleen de vordering tot doorbetaling van loon over de periode van 27 november 1993 tot en met 14 maart 1994 aan de orde. [Eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij en [verweerder] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd hebben gesloten. De Kantonrechter heeft de op deze stelling gebaseerde vordering afgewezen.

In hoger beroep heeft de Rechtbank na bewijslevering geoordeeld dat de partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd hebben gesloten.

3.3 Middel 1 strekt ten betoge dat de Rechtbank een onbegrijpelijke althans onvoldoende gemotiveerde beslissing heeft gegeven door [verweerder] geslaagd te achten in zijn bewijs. Het middel kan niet tot cassatie leiden, aangezien het opkomt tegen een aan de Rechtbank als feitenrechter voorbehouden waardering van het bewijsmateriaal. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.

3.4 Middel 2 strekt ten betoge dat, nu art. 2 van de in 3.1 onder (i) vermelde CAO bepaalt dat arbeidsovereenkomsten met zowel vaste als losse werknemers schriftelijk moeten worden vastgelegd, niet anders dan door een geschrift kan worden bewezen of de arbeidsovereenkomst van tijdelijke aard is dan wel een vast dienstverband betreft. Door niettemin [verweerder] in staat te stellen getuigenbewijs omtrent de aard van het dienstverband te leveren heeft de Rechtbank in strijd gehandeld met voornoemd artikel van de CAO.

Het middel faalt. Art. 2 van de hiervoor genoemde CAO eist dat arbeidsovereenkomsten schriftelijk worden vastgelegd doch deze bepaling noch enige andere bepaling uit deze (algemeen verbindend verklaarde) CAO bevat een afwijking van de in art. 179 lid 1 Rv. neergelegde hoofdregel dat bewijs door alle middelen kan worden geleverd. Door getuigenbewijs als bewijsmiddel te aanvaarden, na [verweerder] bewijs omtrent de aard van het dienstverband van [eiser] opgedragen te hebben, is de Rechtbank uitgegaan van een juiste rechtsopvatting.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 8 december 2000.