Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8893

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-12-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
R00/013HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA8893
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 616
NJ 2001, 231
JWB 2000/234

Uitspraak

8 december 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R00/013HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

DE GEMEENTE AMSTERDAM, gevestigd te Amsterdam,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. R.M. Schutte,

t e g e n

[Verweerster], wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 25 oktober 1995 ter griffie van het Kantongerecht te Amsterdam ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar en verzocht op grond van art. 64 (oud) van de Algemene Bijstandswet vast te stellen dat door verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - aan de Gemeente terstond zal worden voldaan een bedrag van ƒ 25.831,07, alsmede te bepalen dat bij terugvordering van de hiervoor genoemde kosten van bijstand op gelden die door derden aan [verweerster] verschuldigd zijn of worden, deze schuldenaren hiervan het hiervoor vermelde bedrag aan de Gemeente zullen uitkeren.

Nadat [verweerster], hoewel ter zake behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting van de Kantonrechter was verschenen, heeft de Kantonrechter bij beschikking van 5 januari 1996 het verzoek van de Gemeente toegewezen.

Tegen deze beschikking heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Amsterdam.

Bij beschikking van 1 december 1999 heeft de Rechtbank [verweerster] ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep verklaard, bepaald dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum en tijdstip, en iedere verdere beslissing aangehouden. De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft de Gemeente beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in dit geding om het volgende.

(i) De Gemeente heeft de Kantonrechter verzocht te bepalen - onder meer - dat [verweerster] aan haar zal voldoen een bedrag van ƒ 25.831,07 ter zake van gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 november 1990 tot en met 31 december 1991. De Gemeente stelt dat [verweerster] op grond van onjuiste of onvolledige inlichtingen bijstand heeft ontvangen over deze periode, zodat zij deze bijstand terugvordert krachtens art. 57 van de Algemene Bijstandswet (ABW). Gebleken is immers, aldus de Gemeente, dat [verweerster] gedurende genoemde periode, met onderbrekingen, werkzaamheden heeft verricht met wisselende inkomsten bij de Nederlandse Veiligheidsdienst en een uitkering heeft ontvangen van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Amsterdam, [..].

(ii) [Verweerster] heeft geen verweerschrift ingediend en is ter terechtzitting niet verschenen. Bij beschikking van 5 januari 1996 heeft de Kantonrechter het verzoek van de Gemeente toegewezen.

(iii) [Verweerster] heeft op 18 februari 1999 hoger beroep van deze beschikking ingesteld. Zij heeft aangevoerd dat zij eerst bij brief van 25 januari 1999 van haar gemachtigde heeft kennisgenomen van voornoemde beschikking. Zij heeft uitdrukkelijk verklaard dat de beschikking niet door de griffier van het Kantongerecht aan haar is gezonden en dat de beschikking evenmin aan haar is betekend. De Gemeente heeft betoogd dat [verweerster] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep moet worden verklaard.

(iv) Bij beschikking van 1 december 1999 heeft de Rechtbank [verweerster] ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep en tevens bepaald dat de behandeling zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum.

3.2 De Rechtbank heeft in rov. 7 als volgt geoordeeld:

"Blijkens de door [verweerster] aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 12 februari 1999 mag voor de bepaling van de aanvang van de appeltermijn slechts worden uitgegaan van de datum waarop de verzending volgens artikel 67 lid 1 ABW plaatsvond.

Op de minuut van de bestreden beschikking is een stempel geplaatst met de aantekening dat een afschrift van de beschikking op 22 januari 1996 aan [verweerster] is verzonden. De rechtbank heeft na onderzoek daaromtrent echter niet kunnen vaststellen dat dit afschrift is verzonden op de wijze als voorgeschreven in artikel 67 lid 1 ABW.

Om deze reden dient te worden aangenomen dat [verweerster] - zoals zij heeft aangevoerd - niet eerder dan op 26 januari 1999 heeft kennisgenomen van de bestreden beschikking. Nu zij binnen vier weken na die datum hoger beroep heeft ingesteld, dient zij te worden ontvangen in dit beroep."

3.3 Het middel, dat vier onderdelen bevat, is gericht tegen rov. 7 van de Rechtbank.

Het eerste onderdeel, gelezen in samenhang met de daaraan voorafgaande algemene klacht, klaagt dat de Rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de beroepstermijn in deze in het geheel nog niet is aangevangen, gegeven haar uitgangspunt dat zij niet heeft kunnen vaststellen dat de griffier van het Kantongerecht een afschrift van de beschikking van 5 januari 1996 aan [verweerster] heeft verzonden.

De Rechtbank heeft tot uitgangspunt genomen dat de verzending van de beschikking niet op de juiste wijze is geschied en heeft vervolgens aangenomen dat [verweerster] niet eerder dan op 26 januari 1999 heeft kennisgenomen van de bestreden beschikking. Door vervolgens te oordelen dat [verweerster] door hoger beroep in te stellen binnen een - met de te dezen geldende beroepstermijn overeen- komende - termijn van vier weken nadat zij van de beschikking kennis had genomen, in dit beroep kan worden ontvangen, heeft de Rechtbank niet blijk gegeven van miskenning van enige rechtsregel. De klacht faalt derhalve.

3.4 Onderdeel 2 houdt in dat de Rechtbank doorslaggevende betekenis had moeten toekennen aan het stempel van de griffier dat de beschikking op 22 januari 1996 aangetekend is verzonden.

Deze klacht faalt: als de dag van verzending van de beschikking van de Kantonrechter in de zin van art. 66 (oud) ABW heeft te gelden de dag van daadwerkelijke verzending en niet de dag waarop de beschikking volgens een daarop door de griffie van het Kantongerecht aangebracht stempel is verzonden (HR 4 april 1997, nr. 8876, NJ 1997, 401).

3.5 Onderdeel 3 klaagt dat de Rechtbank partijen had moeten informeren over de resultaten van het door haar in rov. 7 vermelde onderzoek en hen in de gelegenheid had moeten stellen zich daarover uit te laten alvorens te beslissen.

Deze klacht faalt eveneens. Het stond de Rechtbank vrij onderzoek te doen naar de dag waarop de beschikking is verzonden, zonder partijen nog de gelegenheid te geven zich over haar bevindingen uit te laten, temeer nu de kwestie van de ontvankelijkheid door de Gemeente aan de orde is gesteld.

3.6 Onderdeel 4 bouwt voort op de onderdelen 1 en 2 en faalt op de daar genoemde gronden.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, C.H.M. Jansen, H.A.M. Aaftink en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 8 december 2000.