Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8892

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-12-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
R00/108HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA8892
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 17, geldigheid: 2000-12-08
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 34, geldigheid: 2000-12-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BJ 2001/2 met annotatie van W. Dijkers
JOL 2000, 620
NJ 2001, 47
RvdW 2000, 246
JWB 2000/233

Uitspraak

8 december 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R00/108HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen.

1. Het geding in feitelijke instantie

De Officier van Justitie in het arrondissement Assen heeft op 9 augustus 2000 onder overlegging van een op 4 augustus 2000 ondertekende geneeskundige verklaring een vordering ingediend bij de Rechtbank aldaar tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van het verblijf van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: verzoeker - in een psychiatrisch ziekenhuis met een jaar tot uiterlijk 13 augustus 2001.

Nadat de Rechtbank verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, en de behandelend arts op 10 augustus 2000 had gehoord, heeft zij bij beschikking van 11 augustus 2000 de gevorderde machtiging verleend voor de duur van zes maanden, uiterlijk tot 11 februari 2001.

De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van verzoeker heeft bij brief van 26 oktober 2000 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 De Rechtbank heeft bij beschikking van 13 juli 2000 een voorlopige machtiging verleend tot opneming en doen verblijven van verzoeker in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één maand, uiterlijk tot 13 augustus 2000 en aansluitend voor de duur van vier maanden, uiterlijk tot 13 december 2000 "als paraplumachtiging in die zin dat heropneming van betrokkene mogelijk is indien hij zich niet houdt aan de behandelafspraken".

Bij brief van 3 augustus 2000 heeft het behandelend team aan verzoeker onder vermelding van de redenen waarom het tot die conclusie is gekomen, meegedeeld dat zijn situatie niet stabiel genoeg is om hem op 14 augustus naar huis te laten gaan.

In verband hiermee heeft de Officier van Justitie een vordering ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf. Bij beschikking van 11 augustus 2000 heeft de Rechtbank de machtiging verleend voor de duur van zes maanden, uiterlijk tot 11 februari 2001.

3.2 Onderdeel I van het middel dat zich keert tegen het verlenen van deze machtiging, klaagt dat de Rechtbank met een onjuiste dan wel onvoldoende motivering het verweer dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk is in zijn vordering, heeft verworpen. Dat verweer was gebaseerd op de stelling dat de vordering van de Officier van Justitie te vroeg was ingesteld, omdat de van kracht zijnde machtiging pas afliep op 13 december 2000.

3.3 Bij de beoordeling van het onderdeel moet worden vooropgesteld dat de Rechtbank uitdrukkelijk heeft bepaald dat de termijn van zes maanden waarvoor de machtiging is verleend, loopt tot 11 februari 2001. Daaruit volgt dat de machtiging is ingegaan op 11 augustus 2000. Het onderdeel dat uitgaat van een andere datum van ingang, mist in zoverre feitelijke grondslag en kan daarom niet tot cassatie leiden.

Voor zover het onderdeel strekt ten betoge dat de onderhavige machtiging niet eerder kon ingaan dan na afloop van de voorafgaande machtiging, faalt het. De in de beschikking van 13 juli 2000 verleende machtiging gold immers voor de duur van één maand. De omstandigheid dat daaraan een voorwaardelijke machtiging voor de duur van vier maanden is toegevoegd, staat niet eraan in de weg dat na afloop van deze termijn van één maand een machtiging tot voortgezet verblijf wordt verleend, omdat moet worden aangenomen dat deze machtiging inhoudt dat aan de voorwaardelijk verleende machtiging haar grondslag is komen te ontvallen. Aan die voorwaardelijk verleende machtiging ligt immers de - onjuist gebleken - veronderstelling ten grondslag dat verzoeker het ziekenhuis op 14 augustus zou kunnen verlaten met dien verstande dat hij zich aan de voorwaarden zou houden die in de desbetreffende beschikking waren gesteld.

In het oordeel van de Rechtbank ligt besloten dat zij van deze gedachtengang is uitgegaan. Aldus verstaan getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.

3.4 Onderdeel II moet het lot van onderdeel I delen als het gaat om de klacht over de ingangsdatum van de machtiging. Bij zijn klacht dat de Rechtbank de machtiging heeft verleend voor de duur van zes maanden in plaats van de gevraagde één jaar, heeft verzoeker geen belang, nu het in dit geval niet gaat om een machtiging op eigen verzoek. De klacht kan ook overigens niet tot cassatie leiden, omdat zij miskent dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt, is voorbehouden te bepalen of er reden bestaat de duur van de machtiging te beperken tot minder dan een jaar na de dagtekening van de beschikking.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 8 december 2000.