Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8857

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35578
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 1832 met annotatie van Beukers-van Dooren
FED 2000/695
BNB 2001/67
WFR 2000/1818, 2
V-N 2001/10.11

Uitspraak

Nr. 35578

6 december 2000

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 22 juli 1999 betreffende na te melden naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1995 tot en met 31 december 1995 een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van f 99.990,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot een aanslag ten bedrage van f 76.243,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij verweerschrift zich deels gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1990 tot en met 31 december 1994 een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd.

Belanghebbende heeft in 1995 besloten af te zien van verhaal van een gedeelte van deze loonbelasting/premie volksverzekeringen op haar werknemers.

3.2. De onderwerpelijke naheffingsaanslag is opgelegd ter zake van het door de werknemers genoten voordeel ten bedrage van de in de onder 3.1 vermelde naheffingsaanslag begrepen, niet op hen verhaalde belasting en premie.

3.3. In de zaak met nummer 35577 betreffende de onder 3.1 vermelde naheffingsaanslag heeft de Hoge Raad bij arrest van heden de uitspraak van het Hof vernietigd en het geding verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

3.4. Het middel faalt voorzover het strekt ten betoge dat het Hof in onderhavige zaak pas uitspraak had mogen doen nadat de onder 3.1 vermelde naheffingsaanslag onherroepelijk zou zijn komen vast te staan. Geen rechtsregel verplicht het gerechtshof immers in zaken als de onderhavige, waarin de beslissing mede afhankelijk is van de beslissing in een andere zaak, te wachten met het geven van een beslissing totdat in die andere zaak onherroepelijk is beslist.

3.5. Het onder 3.4 overwogene neemt niet weg dat, nu in de zaak met nummer 35577 de uitspraak van het Hof is vernietigd en het geding is verwezen, vanwege de samenhang met die zaak ook in de onderhavige zaak de uitspraak van het Hof moet worden vernietigd en het geding moet worden verwezen. In zoverre treft het middel doel.

4. Proceskosten

Gelet op de kostenveroordeling in de samenhangende zaak onder nummer 35577 is voor een afzonderlijke kostenveroordeling in de onderhavige zaak geen plaats.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest;

gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 630,--.

Dit arrest is op 6 december 2000 vastgesteld door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren A.G. Pos, D.H. Beukenhorst, L. Monné en P.J. van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.