Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8855

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35386
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 229, geldigheid: 2000-12-06
Gemeentewet 277 (oud), geldigheid: 2000-12-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 253 met annotatie van Van Hassel
Belastingblad 2001/19
BNB 2001/65
V-N 2001/10.10

Uitspraak

Nr. 35386

6 december 2000

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 mei 1999 (het in de uitspraak vermelde jaartal 1996 berust kennelijk op een verschrijving) betreffende na te melden aan haar voor het jaar 1996 opgelegde aanslag in het reinigingsrecht van de gemeente Beverwijk.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in het reinigingsrecht van de gemeente Beverwijk opgelegd ten bedrage van f 508,31, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het hoofd van het bureau Belastingen van de gemeente Beverwijk is gehandhaafd.

Belanghebbende is van de uitspraak van het hoofd in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beverwijk heeft een vertoogschrift ingediend.

Bij brief van de Griffier van de Hoge Raad van 5 oktober 2000 zijn inlichtingen gevraagd aan de gemeentesecretaris van de gemeente Beverwijk betreffende de bekendmaking van de Verordening reinigingsheffingen 1996. Deze heeft bij brief van 12 oktober 2000 geantwoord.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. De tweede klacht komt erop neer dat het Hof ten onrechte is voorbijgegaan aan het bewijsaanbod dat belanghebbende in haar beroepschrift en haar conclusie van repliek heeft gedaan. Dit bewijsaanbod betrof een afspraak die belanghebbende stelt begin september 1996 te hebben gemaakt met een vertegenwoordiger van de gemeente. Na in haar bezwaarschrift van 20 juni 1996 naar voren te hebben gebracht dat zij geen prijs meer stelde “op deze, te dure diensten” van de gemeente (het verwijderen van haar bedrijfsvuil), heeft belanghebbende volgens de vaststelling van het Hof op 23 augustus 1996 voorgesteld de daartoe door de gemeente verstrekte witte vuilzakken terug te geven, waarna op 29 augustus 1996 een telefoongesprek tussen vertegenwoordigers van partijen heeft plaatsgevonden. Volgens belanghebbende heeft de vertegenwoordiger van de gemeente bij die gelegenheid meegedeeld dat “de zaak was afgedaan en dat men de witte zakken zou ophalen”. Van de kant van de gemeente is het doen van deze mededeling ontkend.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat, wat er zij van de gestelde afspraak, uit de bewoordingen daarvan niet kan worden opgemaakt dat bedoeld is dat de bestreden aanslag zou worden vernietigd. In dit oordeel ligt besloten dat het Hof is voorbijgegaan aan het bewijsaanbod als irrelevant omdat, ook als de gestelde afspraak bewezen zou worden, dit niet tot een andere beslissing zou kunnen leiden. Deze redengeving schiet echter tekort. Zonder nadere motivering, die de uitspraak niet bevat, valt immers niet in te zien waarom belanghebbende aan de gestelde mededeling, als die is gedaan, niet het vertrouwen heeft kunnen ontlenen, dat zij van haar belastingplicht zou zijn ontheven, zo al niet voor het gehele jaar, dan - bijvoorbeeld met toepassing van artikel 15, lid 3, van de Verordening reinigingsheffingen 1996 - voor het resterende deel daarvan, dit laatste in het bijzonder indien belanghebbende, zoals zij zowel voor het Hof als in cassatie aanvoert, vanwege de afspraak geen vuil meer heeft aangeboden.

3.3. Ook het ten overvloede gegeven oordeel van het Hof dat het niet voor de hand ligt dat in september 1996 (kennelijk is bedoeld: is toegezegd dat) met terugwerkende kracht de in 1996 verrichte diensten alsnog kosteloos zouden worden verleend, kan zijn beslissing niet dragen, reeds omdat een aanbod om bewijs door getuigen te leveren niet mag worden gepasseerd op grond van - zoals in dit oordeel besloten ligt - een prognose omtrent het resultaat van de bewijslevering. De tweede klacht is derhalve gegrond.

3.4. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het Hof,

- verwijst het geding naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, en

- gelast dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beverwijk aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 340,--.

Dit arrest is op 6 december 2000 vastgesteld door de raadsheer A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren D.H. Beukenhorst en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.